Polders en molens
Polders
Aan het begin van de jaartelling was het middendeel van Holland een moerasgebied. Door afwatering werd bewoning mogelijk en ook kon met ontginning worden begonnen. Boerderijen werden gebouwd op de kleigrond van oude vloedkreken, die iets hoger lager en daardoor minder last van het water.
In de Middeleeuwen werd akkerbouw steeds lastiger. Door verdere inklinking van het veen en daling van de bodem werden de akkers steeds drassiger en de landbouw langzamerhand een armoedig bestaan.
Boeren gebruikten hun land voor de steeds lucratievere turfwinning. Vooral in de buitengebieden van Pijnacker was veen en het gebied veranderde van een landbouwgebied met akkerbouw en veeteelt in een gebied van plassen, meren en vaarten. Die plassen en meren hadden geen nut en daarom werden vanaf de achttiende eeuw polders drooggemalen. Hiervoor werden her en der poldermolens gebouwd.

Zo werden diverse polders drooggemalen, zoals de Nieuwe of Drooggemaakte Polder, of de Helpolder, waarvan de herkomst van de naam niet helemaal duidelijk is. Al deze polders lagen rondom Pijnacker en Delfgauw en zo stonden er op verschillende plaatsen molens om het water op peil te houden.

Droogmaken was een kwestie van dijken opwerpen, watergangen maken voor de afvoer van het water en dan de molens aan het werk zetten. Dat was een hele logistieke onderneming die verricht werd in opdracht van het Hoogheemraadschap Delfland, het waterschap dat de waterhuishouding in het gebied rondom Delft – en dus ook Pijnacker – regelt en dit al doet sinds de dertiende eeuw.
Molens
Aan het begin van de jaartelling was het middendeel van Holland een moerasgebied. Door afwatering werd bewoning mogelijk en ook kon met ontginning worden begonnen. Boerderijen werden gebouwd op de kleigrond van oude vloedkreken, die iets hoger lager en daardoor minder last van het water.
In de Middeleeuwen werd akkerbouw steeds lastiger. Door verdere inklinking van het veen en daling van de bodem werden de akkers steeds drassiger en de landbouw langzamerhand een armoedig bestaan.
Boeren gebruikten hun land voor de steeds lucratievere turfwinning. Vooral in de buitengebieden van Pijnacker was veen en het gebied veranderde van een landbouwgebied met akkerbouw en veeteelt in een gebied van plassen, meren en vaarten. Die plassen en meren hadden geen nut en daarom werden vanaf de achttiende eeuw polders drooggemalen. Hiervoor werden her en der poldermolens gebouwd.

Op oude kaarten kun je de molens nog goed zien. Soms staan ze bij elkaar in een Viergang, zoals de molens aan de Katwijkerlaan (Van der Toolen), aan het Molenpad, aan de Rijskade (Neelemans) en Noordmolen aan de Rijskade. Deze Viergang maalde het water uit de polder in de Pijnackerse Vaart bij de vroegere sluis, via de Kromme Wetering en verder door naar de Schie.
Zo werden diverse polders drooggemalen, zoals de Nieuwe of Drooggemaakte Polder, of de Helpolder, waarvan de herkomst van de naam niet helemaal duidelijk is. Al deze polders lagen rondom Pijnacker en Delfgauw en zo stonden er op verschillende plaatsen molens om het water op peil te houden.
Droogmaken was een kwestie van dijken opwerpen, watergangen maken voor de afvoer van het water en dan de molens aan het werk zetten. Dat was een hele logistieke onderneming die verricht werd in opdracht van het Hoogheemraadschap Delfland, het waterschap dat de waterhuishouding in het gebied rondom Delft – en dus ook Pijnacker – regelt en dit al doet sinds de dertiende eeuw.

Molens kunnen ingedeeld worden naar aandrijving: door wind of door water, in Pijnacker stonden alleen windmolens; vervolgens naar functie: poldermolens of industriemolens. De meest voorkomende industriemolen is de korenmolen, daar was er in Pijnacker maar één van, de Aker, aan de Delftsestraatweg. En dan kunnen molens ook worden onderscheiden naar model. In Pijnacker waren het achtkantige bovenkruiers. Dan draait alleen de kap van de molen. De term buitenkruier betekent dat de molen beneden/buiten in de wind gedraaid kon worden, dit in tegenstelling tot de binnenkruier, die bovenin de kap gekruid moest worden.

Van de ooit dertien windmolens en een korenmolen zijn er momenteel nog twee over, een halve aan de Molenlaan en een halve aan de Noordeindseweg. Sommigen werden al genoemd in de zestiende eeuw.
Molen De Aker aan de Delftsestraatweg week af, omdat het een korenmolen was. De steen boven de ingang is bewaard gebleven en toont de letters PAIC (Pax Anno In Christi), oftewel Vrede in het jaar des Heren, wat verwijst naar de vrede van Rijswijk in 1697.
De Zuiddammolen stond het dichtst bij de Westlaan en werd ook wel Grote Molen genoemd vanwege de vlucht van 29 meter. Hij kwam hierdoor langzaam op gang en stond stil bij weinig wind.
Aan de Molenlaan stond een vijzelmolen met één vijzel en twee waterlopen. Dat is bijzonder, want hierdoor kon het water worden geloodst naar of een andere polder of naar de bergboezem (opslagplaats).
In de buitengebieden staan nog kleine poldermolens, de zgn. Bosman en Hertog-molens. Dit zijn namen van fabrikanten, deze molens zetten zichzelf in de wind door middel van een vlotter op het water.
Veel molens verdwenen door brand of omdat ze in onbruik geraakten. Andere werden na verloop van tijd vervangen door een elektrisch gemaal.
Misschien ook interessant om te lezen:
U bevindt zich hier: Home > Geschiedenis van Pijnacker >





