HGOP, pijnacker
z website 1.1 hervormde toren

HGOP Brengt geschiedenis dichtbij!

Schetsen van Pijnacker, hoofdstuk 4

Schetsen van Pijnacker

Uit: Schetsen uit de geschiedenis van Pijnacker, 2de druk,1986

Overige ambachten rond Pijnacker

 

Zoals we reeds in hoofdstuk 2 zagen, zijn de ontginningen in deze streek tot stand gekomen in een werkverband, dat wel wordt aangeduid met de naam ‘hof organisatie’. Vanuit de vroonhoeve (vroon = wat van de heer is) werden de ontginningswerkzaamheden, onder leiding van een door de graaf aangestelde beheerder, de villicus, uitgevoerd door de ‘horigen’ (zij die gehouden waren op een bepaalde hoeve en de daarbij behorende grond te blijven wonen en werken). Zo hebben onder andere de Hof van Delft en de Hof van Pijnacker (Koningshof) gefunctioneerd.

Was zo’n ontginning geheel of gedeeltelijk gereedgekomen, dan werden door de graaf soms bepaalde personen met een stuk land ‘beleend’, d.w.z. zij kregen het beheer over dat stuk land onder beding van bepaalde tegenprestaties: bijvoorbeeld een jaarlijks deel van de opbrengst, het leveren van paarden en manschappen enz. Ook schonk de graaf wel stukken weg aan familieleden, aan kloosters of aan instellingen die zich bezighielden met de zorg voor de armen of bejaarden. De beleende of begiftigde kreeg gewoonlijk het recht tot het uitoefenen van de lage jurisdictie (rechtspraak) en ook het genot van heerlijke rechten, ook wel ambtsgevolgen genaamd, in het verkregen gebied. Tot die heerlijke rechten konden behoren o.a. het aanstellen van een schout als vertegenwoordiger van de heer, het recht van tolheffing, windrecht, jacht, visserij, eendenkooi, zwaansdrift en aanwas.

Zo’n stuk land met de daarbij behorende rechten en plichten werd een ambacht of ambachtsheerlijkheid genoemd.

Afb. no 17: Ambachten rondom Delft anno 1400.

Op afbeelding no. 17 ziet u het ontginningsgebied om Delft, de Hof van Delft die zich oorspronkelijk uitstrekte van de Brasserskade tot de Oude Leede en van de Tanthofkade tot de Rijskade en Overgauwseweg, dicht bij de woonkern Pijnacker. De afbeelding geeft de toestand weer omstreeks 1400. Dan zijn reeds door de bovengenoemde beleningen en schenkingen vele ambachten van de oorspronkelijke Hof van Delft afgesplitst.

 

Afb. no 18:De dorpskern van Pijnacker omstreeks 1712 volgens de kaart van de gebr. Cruquius.

Op afbeelding no. 18 is de indeling rond de woonkern Pijnacker weergegeven.

Bij belening blijft het gebied eigendom van de landsheer, eerst is dat de graaf, later, na 1581 treden de Staten van het gewest als zodanig op. Wel is vaak de belening erfelijk van vader op zoon, maar zijn er geen zonen, dan vervalt het ambacht meestal weer aan de graaf, zoals dit het geval is met het Ambacht Ruiven in 1466. We laten nu enkele schenkingen en beleningen, waaruit later de ambachten ontstonden, de revue passeren.

 

Abtsrecht

Graaf Floris I (1049-1061) schenkt 19 hoeven met het daarbij behorend land aan de Abdij van Egmond. Dit gebied wordt aangeduid als het Abtsrecht. Het ligt gedeeltelijk ten westen en gedeeltelijk ten zuiden van de Schie.

In het uit 1845 daterende Aardrijkskundig Woordenboek van Van der AA treffen we de volgende beschrijving aan:

“·· gemeente in Delfland, bevattende enige verstrooid liggende huizen. Het is een Heerlijkheid, welke vroeger eigendom was van de Abt van Egmond die er het recht had om ingeval een der ingezetenen hier kwam te overlijden, het beste pand uit de boedel te mogen kiezen, maar niet indien dit sterfgeval buiten het rechtsgebied van Abtsrecht plaats had.”

Dit recht van de abt, waaraan het ambacht zijn naam ontleent, is nog tot 1593 van kracht gebleven. In dat jaar is door de bewoners voor een som van 600 guldens dit abtsrecht afgekocht bij de Staten van Holland op wie de rechten van de graaf dan zijn overgegaan.

De Heerlijkheid die ongeveer 467 bunder (1 bunder = 10.000 m2) groot is, behoorde tot 1568 aan de Abdij van Egmond en daarna tot ca. 1593 aan de Staten van Holland.

Met zijn water-of heemrecht bleef het Ambacht Abtsrecht, evenals de andere ambachten, behoren tot de Dijkgraaf en de Hoogheemraden van Delfland.

Het grenst in het noorden aan Vrijenban, in het oosten aan de Schie, in het zuiden reikt het tot aan de Ackerdijkseweg en in het westen tot aan de Zuideindseweg. Het Aardrijkskundig Woordenboek vervolgt de beschrijving met:

“·· Men heeft er ongeveer 200 inwoners. Zowel de Rooms-katholieken als de Hervormden gaan ter kerke te Schipluiden, doch ook te Delft en Delfgauw, waar ook de kinderen ter school gezonden worden • ”

Het wapen van Abtsrecht wordt gevormd door een schild van zilver, beladen met twee kruisen, links geplaatste bisschops-staven, waarop een bisschopsmijter van rood, gesierd met goud. Zie hiervoor de wapenkaart afbeelding no. 19.

 

Vrouwenrecht/Ackerdijk

In 1144 doet Gravin Petronella, weduwe van Graaf Floris II 1091-1121), aan.de door haar in 1133 gestichte Abdij van Rijnsburg een schenking, bestaande uit een gebied dat thans binnen de stadsgrenzen van Delft ligt en nog 9 hoeven, waarvan er 6 liggen in Ackersdijk.

Uit deze gebieden ontstaat het ambacht Vrouwenrecht/Ackersdijk. Het Delftse deel is gemakkelijk terug te vinden omdat nog een straat in Delft de naam Vrouwenrecht draagt, een naam die er naar verwijst dat hier de abdis van het nonnenklooster te Rijnsburg de scepter zwaaide.  Het andere deel, Ackersdijk, is nu een prachtig natuurreservaat gelegen ten zuiden van de buurtschap Oude Leede. Volgens archeologen bevindt dit gebied zich nog vrijwel in dezelfde staat als tijdens de Pre-Romeinse Tijd. Ook de plaatsen waarop nu nog de boerderijen staan, zijn reeds eeuwenlang vestigingsplaatsen van de bewoners van deze streek geweest. Ackersdijk wordt in het Aardrijkskundig Woordenboek; van Van der Aa als volgt beschreven:

“· · Ackersdijk, ook genaamd Vrouwenrecht, is een gemeente in Delfland, Arrondissement Rotterdam, Kanton Delft.

Het bestaat uit de Ackerdijkse Polder, de Zwet en een gedeelte van de Rotterdamseweg. Het grenst in het noorden aan Abtsrecht, in het oosten aan Berkel en Pijnacker, in het zuiden aan Overschie en in het westen aan Kethel, Hof van Delft, waarvan het door de Schie wordt gescheiden.

Deze gemeente heeft noch dorp, noch buurt en is een Vrije Heerlijkheid die aan het domein van de Staten van Holland behoort, 344 bunder groot en telt ruim 150 inwoners.

Ten tijde dat het nog bezit was van het klooster Rijnsburg, waren twee welgeboren mannen uit Ackersdijk gekozen in de vierschaar van Rijnsburg .. ”

Een vierschaar is een rechtbank. In vroeger tijden was dit de door vier banken omsloten plaats voor de rechters.

In 1826 werd Ackersdijk bij de Gemeente Vrijenban gevoegd.

Afbeelding no. 19: Wapenkaart

           

Vrijenban

Het ontstaan en de geschiedenis van het Ambacht Vrijenban, waaruit later de Gemeente Vrijenban is ontstaan, is nogal gecompliceerd.

In de Middeleeuwen viel een deel van de Hof van Delft niet onder de jurisdictie van de villicus, de grafelijke ambtenaar die het op zicht en het bestuur had over de Hof van Delft.

Wel vielen de bewoners onder de rechtsmacht van de graaf als landheer. Zo moesten zij wel hun bijdrage leveren aan de strijd tegen het water in de vorm van dijkaanleg en onderhoud. Ook hadden zij hun deel op te brengen van de grafelijke belastingen. De landerijen en hoeven, waarvoor deze bijzondere bepalingen golden, zijn later het zeer versnipperde Ambacht Vrijenban gaan vormen.

Van het Ambacht Vrijenban wordt voor het eerst melding gemaakt in de jaren 1212/1214. Graaf

Willem I schenkt dan aan het klooster te Egmond het voorrecht dat

“· · die lieden die wonen op de landerijen van genoemd klooster in Papsou (bij Delft) geen hoger, maar ook geen lager bedrag aan bede ( = belasting) zullen betalen dan degenen die wonen in de Vrijenban  ”

In de Middeleeuwen stond in Vrijenban een klein kasteel, Kraaijenburg geheten. Op oude kaarten uit 1576/1579 1), staat het aangegeven op de plaats van de boerderij van de fam. J. de Bruijn in het Noordeinde no. 62 van Delfgauw, met de opmerking

”· · hier stond het slot .. “. Op verschillende plaatsen in de naaste omgeving treft men nog de kloostermoppen (met de hand gebakken stenen van ca. 15x7x30 cm groot) van Kraaijenburg aan als fundering voor oude boerderijen.

Volgens opgave uit 1746 was Vrijenban 1158 morgen groot. Vrijenban behoorde in 1738 aan Gijsbrecht van Hoogendoorn, ontvanger-generaal der Staten van Holland, die het in dat jaar verkocht aan de stad Delft.

In 1795, in de Franse tijd, werden al deze ambachten zelfstandige eenheden met een eigen Municipaliteit (bestuur). Wel werden in 1811 een aantal van de kleine samengevoegd tot grotere bestuursgebieden, maar in 1817 werd de oude toestand hersteld en herrezen ze als kleine gemeenten.

Een grote moeilijkheid was, dat het gebied van Hof van Delft en dat van Vrijenban versnipperd door elkaar lag. Zo lag Delfgauw in Hof van Delft en viel een deel van de Buitenwatersloot (nu gemeente Delft) onder Vrijenban.

Daar werd in 1826 door de nieuwe kadastrale indeling een eind aan gemaakt. Bij Koninklijk Besluit werd bepaald dat alles wat ten westen van de Schie en van Delft lag, tot Hof van Delft zou behoren en alle oostelijk gelegen delen tot Vrijenban. Het duurde echter tot 1833 voor dit gerealiseerd werd. In dat zelfde jaar werd Biesland bij Vrijenban ingelijfd. Twaalf jaar later kwam Ruiven (wat we hierna nog zullen bespreken) bij Pijnacker.

Tenslotte werden in 1855 de gemeenten Vrijenban (ca. 1000 inwoners), Abtsrecht (ca. 180 inwoners) en Vrouwenrecht/Ackersdijk (ca. 160 inwoners) verenigd tot één nieuwe gemeente onder de naam Vrijenban.

Op 1 januari 1921 werd een wet van kracht waarbij werd bepaald dat Hof van Delft en Vrijenban werden opgeheven en het grondgebied van deze gemeenten werd verdeeld onder de aangrenzende gemeenten Delft, Schipluiden en Pijnacker.

 

Ruiven

En nu dan het Ambacht Ruiven, dat thans bijna geheel tot de Gemeente Pijnacker behoort. Toch zullen er weinig Pijnackernaren zijn, die kunnen aanwijzen, waar Ruiven lag, want er is praktisch niets wat nog eraan herinnert of waarin de naam nog voortleeft.

Het Ambacht Ruiven had een merkwaardige vorm, lang en smal. Het was 5 kilometer lang, maar niet breder dan 250 meter, op sommige plaatsen zelfs maar 100 of 150 meter. Het begon aan de Schie bij wat tegenwoordig ongeveer de grens van Delft-Zuid is, namelijk ter hoogte van de Prof. Kluijverweg (waaraan het T.H.-gebouw voor Vliegtuigbouwkunde ligt). Het ambacht kruiste achtereenvolgens de Zuideindseweg, de Overgauwseweg en de Klapwijkseweg en liep tot het voormalige Oostmeer, thans een uitgeveend en laag gelegen poldertje in het verlengde van de Groenekade.

Het plaatsje Ruiven, gelegen ten zuiden van het huidige Delfgauw, was minder dan een gehucht. Het bestond uit een versterkt huis -kasteeltje is waarschijnlijk te veel gezegd – en drie of vier boerenhoeven. Later kwamen er nog een paar huisjes (zonder eigen land) bij. De grootste omvang bereikte het ten t.de van Karel de Stoute (1467-1477), toen er 9 woningen (hoeven en huisjes tezamen) waren. Daarna liep het aantal weer terug.

Des te opmerkelijker is het daarom, dat er over de middeleeuwse geschiedenis van Ruiven veel meer te vertellen valt dan over die van Pijnacker. In feite is het dan niet de geschiedenis van de inwoners van Ruiven, maar die van de heren van Ruiven.

Zoals reeds in hoofdstuk 2 is vermeld, wordt Ruiven waarschijnlijk al genoemd in 960 als een Stichts (= Utrechts) leen.

Daarna is er een vermelding van ruim een eeuw later in de archieven van de Abdij van Egmond. De abdij bezat landerijen juist ten zuiden van Ruiven. Deze vormden het Ambacht Abtsrecht, dat reeds eerder ter sprake is gekomen. Bij een beschrijving van de goederen van de abdij ten tijde van Abt Adelhart (1105-1120) wordt bij Abtsrecht onder meer vermeld:

“In Ruvene XVI libras “, hetgeen wil zeggen: In Ruiven (een rente van) 16 ponden.

Weer een eeuw later vinden we een Wouter van Ruijven vermeld. In een akte van 21 Januari 1199, uitgaande van Graaf Dirk VII en zijn vrouw Aleid, komt Woulterus de Ruvene als getuige voor.

In de opvolgingsstrijd na de dood van Graaf Dirk VII blijkt Wouter van Ruyven volgens de Annales Egmundenses een partijganger van Gravin Ada (1203-1204) te zijn. Zoals bekend verloor Ada met haar gemaal Lodewijk van Loon de strijd tegen haar oom, die als Willem I graaf van Holland en Zeeland werd. Welke gevolgen dit voor Wouter van Ruyven had, is niet bekend. Pas in 1269 wordt weer een Wouter van Ruyven vermeld, die in dat jaar de korentienden van Pijnacker verkoopt.

Daarna komen we op iets vastere grond te staan, want in de leenregisters van het Graafschap Holland vinden we omstreeks 1281 onder de beleningen:

“In Delfambachte Thyman van Ruvene twee hondert negen en dertig morgen op Ruvene”   2).

Thyman, Heer van Ruiven, was dus een leenman van de Graaf van Holland. Waarschijnlijk zijn in 1101, toen de Bisschop van Utrecht afstand deed van Leiden en het Rijnland, of later, ook andere in Holland gelegen Stichtse bezittingen en lenen overgegaan naar de Graaf van Holland. Deze heeft Ruiven daarna in leen gegeven aan een Hollands geslacht, waarvan de leden zich weldra Heer van Ruiven noemden. Het Ambacht Ruiven was een hoge heerlijkheid. De Heer van Ruiven was bevoegd belangrijke strafzaken te behandelen, waarbij de doodstraf kon worden uitgesproken. De Heer van Ruiven had het ‘halsrecht’. Het Ambacht bezat dan ook een ‘galgwerf’, waar deze vonnissen werden voltrokken.

Volgens de kaart van Cruquius uit 1712 lag deze galgwerf vlak achter d’Oude Werf ten zuiden van de boerderij ‘Wilhelminaburg’ aan de Overgauwseweg (afbeelding no. 20).

Afb. no. 20:  De ‘Galgwerf’ behorende bij de hoge Heerlijkheid Ruiven naar een kaart van Cruquius uit 1712. Het Huis te Ruiven

Wie in Delfgauw beginnend zo ongeveer twee derde van de Zuideindseweg heeft afgelegd, zal rechts in het land een cirkelvormig bosje zien. Dit is vermoedelijk de plaats waar eens het Huis te Ruiven heeft gestaan en waar enkele van de Heren van Ruiven hebben gewoond.

De oude geschiedschrijver Simon van Leeuwen (1626-1682) vermeldde dat er een groot landhuis heeft gestaan: “· · gebouwd door die Van Ruven   “. Het landhuis werd gesloopt en alleen het Ruivenselaantje resteerde nog, volgens de kaart van Cruquius uit 1712.

De Batavia Illustrata, samengesteld door Simon van Leeuwen, in sijn leven Subsituyt Griffier vanden Hogen Rade van Hollandt, Zeelandt en Westfrieslandt, vermeldt op blz. 1291:

“  . . . . t Huys te RUYVEN

Is het Stamhuys geweest van dat Geslagte, gelegen by de Ambagtsheerlijkheid van deselve naam; was niet verre van Delft gelegen, en schrijft de Heer Bleiswijk in sijn Beschrijvinge van Delft, dat noch apparent de naam daar van behouden heeft het Ruyvers Laantje, tusschen ’t Zuydeinde van Delfsgau, en den Overgau . “

Op de kaart van Cruquius uit 1712, waarvan wij een verkleind kaartblad in dit boekje hebben opgenomen (afbeelding no. 22), staat de Ruyvense Laan nog aangegeven. Deze laan is nu de oprijlaan van boerderij ‘Veelust’ op de Zuideindselaan no. 57a (afbeelding no. 21).

Afb. no. 21: Boerderij ‘Veelust’, gelegen aan de Zuideindseweg 57a te Delfgauw.

In 1712 heette deze boerderij ‘De Nieuwe Woning’ en liep de Ruyvenselaan langs deze woning naar d’Oude Werf, boog van daar naar het zuiden af richting Oude Leede en heette daar de Koopwegh. Deze weg is in de 18e -19e eeuw door vervening verdwenen.

Blijft men op de plaats van de Oude Werf zo goed mogelijk rechtdoor lopen, dan komt men iets ten zuiden van de hoeve Wilhelminaburg, Oude Leedeweg no. 2, uit, op de plaats van de Oude Galgwerf.

Het is gebleken dat de Ruyvenselaan in de stukken van De Tiende Penning uit 1561

‘Thymanslaan’ heette. Het is vermoedelijk de ontginningslaan geweest, genoemd naar Thyman van Ruvene uit 1281.

Afb. no. 22: Pijnacker en omgeving, naar de kaart van Cruquius uit 1712.

De naam Ruiven

Alvorens de geschiedenis met de heren van Ruiven te vervolgen, eerst iets over de naam Ruiven. Vooral gezien de oude schrijfwijze ‘Ruvene’ wordt door velen aangenomen, dat het een verbastering is van ‘ruw veen’, hetgeen een zeer toepasselijke naam zou zijn. Een geheel andere mogelijke verklaring is genoemd in de 1e editie van de ‘Schetsen uit de Geschiedenis van Pijnacker’. Deze gaat uit van de oude vermelding ‘Rufingem’.

Dit zou een samenstelling van ‘heem’ (vgl. Arnhem, Doetinchem) en een persoonsnaam Ruffo of Rupert kunnen zijn. Wat de naam werkelijk betekent en hoe hij is ontstaan, is niet meer te achterhalen. Aan verschillen tussen de spellingen Ruiven, Ruyven en Ruven behoeft geen betekenis te worden gehecht. Onze voorouders waren op dit punt nogal gemakkelijk. Ze hadden geen vaste spelling en schreven hoe het hun uitkwam.

De Heren van Ruiven

Door de opvolgende beleningen kan men vanaf ca. 1300 een vrij compleet beeld van de Heren van Ruiven verkrijgen. Twee artikelen, beide verschenen in de Jaarboeken van het Centraal Bureau voor Genealogie, vormen de neerslag van diepgaande studies, die hiervan zijn gemaakt. De heer M. Thierry de Bye Dólleman heeft in Jaarboek 1966 (pag. 149-173) een totaal overzicht gegeven. Vervolgens heeft de heer C. Hoek een speciale studie gewijd aan de genealogie van de Heren van Ruiven omstreeks 1350, omdat hier een tot dan onverklaarbare breuk in de opvolging optrad (Jaarboek 1975, pag. 31-45). Aan de hand van deze beide studies is het onderstaande overzicht samengesteld.

Voor de duidelijkheid worden eerst de oudere Heren van Ruiven vermeld, die al ten dele in het voorgaande zijn genoemd en die waarschijnlijk tot een ander geslacht behoren dan de latere Heren van Ruiven. Voorts wordt verwezen naar de genealogie van het geslacht Ruiven op blz. 94/95.

  1. Wouter van Ruyven, vermeld als partijganger van Gravin Ada van Holland in december 1203 in de Annales Egmundenses. Hij komt reeds op 21 januari 1199 voor als Woulterus de Ruvene als getuige in een acte uitgaande van graaf Dirc VII en diens vrouw Aleid. 3)
  2. Heer Wouter van Ruyven verkoopt op 23 juni 1269 de korentienden van Pijnacker. Dólleman spoorde sedert zijn publicatie diens zegel op, hangende aan een oorkonde van 14 september 1270 te Keulen: een schild met lelies. Duidelijk verschillend van het zegel van bijvoorbeeld Claes of Hughe van Ruven waarin een schuinbalk met daarover een barensteel voorkomt. Wouter wordt aangeduid als “no-bilis vir “. Wij hebben hier dus inderdaad met een ander geslacht te doen. 4). Ook heeft hij een tiendvrije hoeve op de Harnas achter Dijkshoorn, die op 4 november 1309 in bezit is van Heer Kerstant van Raephurst, ridder. De hoeve is leenroerig aan de graaf.   5)
  3. Thymen van Ruyven houdt omstreeks 1281 op Ruvene in Delf-ambacht 239 morgen land in leen van de graaf.
  4. Clays van Ruyven wordt op 9 augustus 1281 beleend door Beatris van Rodenrijs met 34 morgen land te Overschie. Op 20 februari 1305 verzoekt hij als voogd, na overdracht van de voogd. door Clays Gillemansz., om Lisebet, jongste dochter van Gillemansz. en van Badeloghe, als non op te willen nemen in het klooster Koningsveld. Hij doet dit samen met Clays Gillemansz. en heer Dirrec Bokel, ridder. 6). Omstreeks 1320 bezit Claes van Ruven een graf in de Oude Kerk te Delft, middelkerk, vijfde plein, graf 16. Dit staat in 1367 en 1420 nog steeds op zijn naam 7).

Gaat men alle vermeldingen en handelingen van Claes van Ruven na, dan wordt het waarschijnlijk dat men met twee personen van dezelfde naam te doen heeft.

Voor de subtiele en vernuftige combinatie van gegevens uit verschillende bronnen waarmee de heer C. Hoek deze veronderstelling onderbouwt, verwijzen we naar zijn eerder genoemd artikel. De nu volgende tabel geeft de samenhang tussen de dragers van dezelfde naam, aangeduid met D1 en D2.

Richten we nogmaals onze aandacht op Claes van Ruven (D2) (±1342-1383). Hij is in het bezit van het goed Ruven gekomen via zijn moeder Clemense. Dit is niet geheel volgens de regels. Het goed Ruyven was een rechtleen en kon slechts door terugkoop in vrouwelijke lijn vererven. Waarschijnlijk is Claes op een afgestorven leen gaan zitten zonder dit te verheffen en terug te kopen. Vandaar dat op 31 januari 1353 zijn leengoed wordt gegeven aan heer Gerrit de Witte. Mogelijk blijft dat de ‘Hoekse’ gezindheid van Claes hierbij mede van invloed is geweest. Als Claes aan zijn financiële verplichtingen heeft voldaan, want in de rekening van de rentmeester van Noord-Holland lopende van 1 mei 1355 tot 11 november 1356 treffen we de volgende post aan: “Item in die parochie van Delft Clays landwinningh van Ruven doer sijn brief op spreekt opten rentmeester van Nort Holland ’t ontfaen 100 lb payments”, krijgt hij zijn leengoederen weer terug.

Vervolgens vragen nog onze aandacht:

  1. Bokel van Ruveen. Hij bezit omstreeks 1320 een graf in de Oude Kerk te Delft in de middelkerk, het zesde plein, graf 5. Dit graf heeft in 1420 een blauwe zerk. 8).
  2. Wouter van Ruyven. Hij koopt op 18 november 1349 goederen te Langerak, leenroerig aan de burcht te Schoonhoven, van Heer Jan van Beaumont. Hij is ook leenman van de Lecke voor een visserij in een deel van de Lek, welke de heren van de Lek op hun beurt weer houden van Oud Munster. Op 22 augustus 1346 verkoopt hij dit leen aan Heer Jan van Polanen, heer van de Lek. 9)

Tot zover de gegevens betreffende de oudere Van Ruivens.

Nu nog een enkele opmerking over het leenbezit in Delfland.

Het leen van Rodenrijs is in 1358 in het bezit van Claes van Ruven 10). In 1396 blijkt iets van de onderverdeling van het goed te Ruiven; dit zal oorspronkelijk uit 6 hoven bestaan hebben, elk ruim 30 morgen groot. Twee van deze hoeven worden in 1396 vermeld nl. de Tymanshoeve, groot 34 morgen en de Bokelshoeve, groot 35 morgen. Daar in dit jaar Thyman van Ruyven juist de Bokelshoeve in achterleen krijgt, zijn deze namen dan reeds bestaand en niet ontleend aan de in 1396 levende generatie. Deze oudere generatie lijkt te worden gevormd door de onder C en E genoemde Thyman en Bokel, waarbij het plausibel is dat wij met broers te maken hebben, waarvan de jongere een hoeve van de oudere in leen houdt, evenals dat in 1396 het geval is 11).  Thyman kan in 1299 nog in leven zijn als Claes van Ruven het leen van Rodenrijs koopt, dat een nieuwe verwerving is. Omstreeks 1320 moet hij overleden zijn daar het graf te Delft bij het maken van het grafboek op Claes van Ruven staat. Het goed Ruiven vormt in 1316 een afzonderlijk bedeambacht, dat slechts in de herfstbede 1 pond betaalt; het wordt in dat jaar aangeduid als Thyemanswoning, in 1334, 1344 en 1345 als Thyemans-landsaten. In de grote bede van 1344 wordt het niet afzonderlijk vermeld en valt het waarschijnlijk onder de Hof van Delft, waaruit het kennelijk is gesplitst. De term landwinning, gebruikt in 1355, wijst eerder op de Hof van Delft dan op de Vrijeban waar geen landwinning voorkomt.

Als wij een conclusie mogen trekken uit het voorgaande dan zouden wij het volgende genealogische staatje willen opstellen:

Met gegevens uit de Kohieren van de Tiende Penning van Ruiven, de ingekleurde landkaart van Cruquius uit 1712 en door akten uit de Hollandse Leenkamer en Notariële Archieven zijn een viertal boerderijen uit het bezit van de Heren van Ruiven nu (1986) nog te lokaliseren.

Het zijn de boerderijen gelegen aan de Zuideindseweg 57a van de familie Noordam, no. 68a van de familie Van der Meijden (afb. no. 24), no. 70 van de familie Van Leeuwen en no. 74 van de familie Van de Harg (afb. no. 23).

Afb. no 23: De ‘Bokelswoning’ aan de Zuideindseweg no. 74. Nu de boerderij van de fam. H. van de Harg. (nb. inmiddels gesloopt tbv ‘Bedrijventerrein Ruyven’)

Afb. no. 24: De Ruivense- of Thymanslaan in het Zuideinde van Delfgauw, naar een kaart van de gebr. Cruquius.

Twee van deze boerderijen komen al vroeg voor in de archieven en wel als Claes van Ruven in 1383 overlijdt en zijn zoon Hughe van Ruven de goederen uit Ruiven erft, beleent Hughe zijn broers Thyman en Claes van Ruven ieder met een hoeve. Namelijk Thyman met de ‘Bokelswoning’ (afbeelding no. 23), bevattende 35 morgen land en Claes met de ‘Thymanswoning’, bevattende 34 morgen land (dit is de boerderij Zuideindseweg 68a van de fam. Van der Meijden, (afbeelding no. 24).

De bevestiging hiervan in de Hollandse Leenkamer is gedateerd 20 januari 1396. De desbetreffende akten zijn afgebeeld als afbeeldingen no. 25 en no. 26.

Afb. no 25: Akte van de belening van Thyman van Ruyven met de ‘Bokelswoning’ (zie afb. no 23)

In eigentijdsschrift staat er: Thyman van Ruyven Aelbrecht etc. doen cont allen luden dat wij zulle goedinghen als gedaen ende gemaeckt heeft huge van Ruyven Thyman van Ruyven sinnen broeder aan een woninge lants geheeten Bokelswoning houdende xxxv morgen lants luttel min of meer ende gelegen in den ambachten van Ruyven, die dieselve hughe van Ruyven van ons te leen hout tot ene rechte leen geconfirmeert hebben ende confirmeren mit desen brieven ende houden dat vaste ende gestade in oirconde etc. gegeven den Hage op sinte agnieten avond anno 1396 *) na den lope van onze hove.

*) Aan de vooravond van het feest van Sint-Agnes op 21 januari 1396.

(Hollandsche Leenkamer, no. 52, fol. 194, Algemeen Rijksarchief Den Haag)

Afb. no. 26: Akte van de belening van Claes van Ruyven met de ‘Thymanswoning’ bij dezelfde gelegenheid opgemaakt als die van de ‘Bokelswoning’

In eigentijdsschrift staat er:  Claes van Ruyven Aelbrecht doen cont allen luden dat wij zulle goedinghen als gedaen ende gemaeckt heeft hughe van Ruyven Claes van Ruyven sinnen broeder aan een woninge lants geheeten Tymans-woning houdende xxiiii morgen lants luttel min of meer ende daeraan westwaerts op twee campen lants elxs van vijf morgen lants luttel meer of min ende is tesamen geleegen in de ambachte van Ruyven welk woninge ende lant voorsecht hughe voorscreven van ons hout tot ene rechte leen geconfirmeert hebben ende confirmeren ende houden dat vaste ende gestade mit desen brief gegeven in den Hage op sinte agnieten avond anno 1396 na den lope van onze hove.

(Hollandsche Leenkamer, no. 52, fol. 194, Algemeen R.ksarchief Den Haag)

Besluiten wij dit hoofdstuk met een opsomming van de Heren, sedert 1281 Ambachtsheren resp. Ambachtsvrouwen van Ruiven.

We bespraken reeds de oudere Heren van Ruiven (A, B, C, D1, D2, E, F) waarbij bet moeilijk of onmogelijk bleek (B en F) hen in een opeenvolgende reeks te rangschikken.

Dit lukt ons wel als we beginnen bij Claes van Ruiven (D2). Daarom beginnen we onze lijst met hem en geven hem het rangnummer 6 als mogelijke opvolger van de Heeren genoemd onder A, C, D1, E en F.

  1. Claes van Ruiven (D2) -raakt in 1353 zijn leengoed kwijt doordat hij niet aan zijn verplichtingen tegenover de Graaf heeft voldaan. Het goed wordt gegeven aan Gerrit de Witte.
  2. Heer Gerrit de Witte       -Heer van Ruiven van 31-1-1353 tot 8-2-13 55, een getrouwe ridder van Willem van Beieren.
  3. Claes van Ruiven (D2) -weer in genade aangenomen, ontvangt op 8-2-1355 zijn leengoederen terug en blijft tot 15-6-1383 Heer van Ruiven.
  4. Hughe van Ruiven         – Claesz., Heer van Ruiven van 15-6-1383 tot 17-10-1431.
  5. Claes van Ruiven          – Hughez., Heer van Ruiven van 17-10-1431 tot 1435.
  6. Hughe van Ruiven         – Claesz., Heer van Ruiven van 1435 tot 11-4-1466.
  7. Jan van Boshuysen       – Heer van Ruiven van 11-4-1466 tot 4-5-1480, een verre achterneef van Hughe. Hughe van Ruiven had geen kinderen zodat het leengoed weer aan de graaf kwam. Jan van Boshuysen had de oudste rechten om aanspraak te maken op dit erfgoed en deed dit dan ook, zodat de Ambachtsheerlijkheid Ruiven aan de Van Boshuysens kwam.
  8. Katherijne van Boshuysen – Vrouwe van Ruiven van 4-5-1480 tot 6-11-1487, bij overgave van haar broer Jan.
  9. Mathen van Boshuysen – Vrouwe van Ruiven van 6-11-1487 tot 20-6-1520, bij overgave van haar tante Katherijne.
  10. Jacob Adriaensz. Van der Wiele alias Stalpert – Heer van Ruiven van 20-6-1520 tot 17-81537, bij overgave van Mathen.
  11. Vincent Cornelisz. van Mierop – Heer van Ruiven van 17-8-1537 tot 26-9-1550, bij opdracht van Jacob Adriaensz. van der Wiele.
  12. Aefgen Vincentsdr. Van Mierop – Vrouwe van Ruiven van 26-9-1550 tot 20-2-1573, bij overlijden van haar vader.
  13. Cornelia Adriaensdr. Stalpert van der Wiele – Vrouwe van Ruiven van 20-2-1573 tot 1575, bij overlijden van haar moeder Aefgen Vincentsdr. van Mierop.
  14. Cornelis de Wit Gerritsz            – Heer van Ruiven van 1575 tot 1578, bij overlijden van zijn moeder Cornelia Stalpert van der Wiele.
  15. Dirck Jansz.       – Heer van Ruiven van 1578 tot 21-7-1604, bij opdracht van Cornelis de Wit. (Dirck Jansz. Was brouwer in de Klaeuw te Delft en stichter van het Klaeuwshofje bij de Oostpoort te Delft).
  16. Dirck Dircksz. Uyttenhage – Heer van Ruiven van 21-7-1604 tot 5-6-1608, bij overlijden van zijn vader.
  17. Elisabeth Vrederixdr. (van Adrichem) – Vrouwe van Ruiven van 5-8-1608 tot 19-2-1631, gehuwd met Dirck Jansz., brouwer in de Klaeuw.
  18. Adriaen van Ruiven – Heer van Ruiven van 19-2-1631 tot 17-2-1638, bij overlijden van zijn moeder Elisabeth Vrederixdr.
  19. Theophilis van Cats – Heer van Ruiven van 17-2-1638 tot 26-4-16 54, door koop van Adriaen van Ruiven.
  20. Anna van Cats -Vrouwe van Ruiven van 26-4-1654 tot 8-3-1658, bij opdracht van haar vader Theophilis; zij was gehuwd met Pieter van Wassenaar, waardoor Ruiven in bezit kwam van de fam. Van Wassenaar.
  21. Willem van Wassenaar -Heer van Ruiven van 8-3-1658 tot 29-1-1714, bij overlijden van zijn moeder Anna van Cats.
  22. Willem Lodewijk van Wassenaar – Heer van Ruiven van 29-1-1714, tot 21-8-1720, bij opdracht van zijn vader.

Deze Willem Lodewijk, Baron van Wassenaar, Heer van Starrenburg, Ruiven, Maasland en Maassluis, zoon van Willem, Heer van Starrenburg en Ruiven, en Josina van der Does, had een indrukwekkende staat van dienst 12) :

  • “vrijwilliger in 1690, luitenant in 1692, strijdt bij La Hoque,
  • commandeur in 1695, extra-ordinair kapitein in 1695 bij bombardement van Duinkerken, commandant van de ‘Delft’; onderscheidt zich als smaldeelcommandant in de strijd met Duguay-Trouin;
  • zwaar gewond en gevangen genomen in 1697, kapitein in 1698 (Maze);
  • verovert een galjoen in 1702; onderscheidt zich bij de slag bij Malaga in 1704,
  • commandant van de ‘Rotterdam’ bij de verovering van Barcelona en Carthagena en bezet o.a. Alicante in 1705,
  • lid van de Admiraliteit van de Maze, Hoogheemraad van Delfland, Baljuw van ‘sGravenhage,
  • huwt te ‘s-Gravenhage op 20-2-1707 met Maria Cornelia van Aerssen (1691-1760), dochter van Cornelis, Vrijheer van Hogerheiden en Half Ossendrecht, Heer van Meteren, Voshol en Triangel, en Maria Pauw”
  1. Willem van Wassenaar – Heer van Ruiven van 21-8-1720 tot 28-5-1764, bij overlijden van zijn vader.
  2. Jan Lodewijk Haganus van Wassenaar – Heer van Ruiven vanaf 28-5-1764 tot onbekende datum, broer van Willem.
  3. Willem Lodewijk van Wassenaar -Heer van Ruiven na 1-4-1796.
  4. Lodewijk Jan Worbert van Wassenaar -Heer van Ruiven omstreeks 1833
  5. Willem Lodewijk Worbert van Wassenaar -Heer van Ruiven omstreeks 1848.

Afbeelding no. 27 geeft de genealogie van de Heren van Ruiven.

De eerste zes Heren van Ruiven (A t/m F) kunnen tot aan de mogelijke verwoesting in 1351 tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten in het huis Ruiven gewoond hebben. De latere Heren woonden elders zoals b.v. in Haarlem waar leden van het geslacht zich vestigden. Bij gebrek aan een opvolger in het geslacht, verviel het goed Ruiven in 1466 weer aan de graaf, waarna een ver familielid, Jan van Boshuysen, het terugkocht.

Het stamhuis Boshuysen is gelegen ten westen van de Boshuyser-wetering midden tussen de Haagweg en de Leidse Vliet bij Leiden. Het huis werd mogelijk verwoest tijdens het Beleg van Leiden.

Hierna ging het landgoed Ruiven over in handen van de fam. Stalpert van der Wiele, ambtenaren van de Staten van Holland. Vervolgens werd de familie Van Mierop beleend met Ruiven, daarna de families De Wit, Uyttenhage en Van Cats.

Laatstgenoemde familie bracht het bezit in het geslacht Van Wassenaar, een familie die het in bezit hield tot de Franse Tijd, waarna de Ambachtsheerlijkheid Ruiven voor korte tijd bij Pijnacker werd gevoegd, vervolgens een zelfstandige gemeente werd totdat het in 1845 definitief bij Pijnacker kwam.

Afb. no. 27: Genealogie van de heren van Ruiven.

Buurtschappen in Pijnacker en plaatsen in de omgeving.

 

Delfgauw

Delgauw, in oude stukken Delfgawij en Delfgawech genoemd, is waarschijnlijk ontstaan uit een Friese kolonisatie in Holland in de 13e eeuw met goedvinden van en misschien met stimulering door de Graaf van Holland. Hoewel het een groot gebied was, nog verdeeld in Noord-Delfgauw en Zuid-Delfgauw, gescheiden door de Pijnackerse Vaart, heeft het nooit een eigen bestuur gehad.

Delfgauw was meer een streeknaam; bestuurlijk was het versnipperd. Grote stukken vielen onder Hof van Delft en Vrijenban, maar andere stukken onder Vrouwenrecht, Abtsrecht, Ruiven en Poortland. Ook had Delfgauw geen eigen kerk.

Bij gemeentelijke indelingen in de 19e eeuw kwam Delfgauw grotendeels onder Vrijenban. Toen de gemeente Vrijenban in 1920 werd opgeheven, is Delfgauw, los van historische gronden, bij de gemeente Pijnacker gevoegd.

 

Katwijk

Katwijk is een buurtschap, die reeds vroeg in de Middeleeuwen wordt genoemd en bij alle rekeningen aangaande Pijnacker afzonderlijk wordt vermeld. Het was een van de 4 kwartieren van Pijnacker. Het moet gezocht worden langs de weg naar Zoetermeer, die ook nu nog Katwijkerlaan heet. Op de kaart van Cruquius uit 1712 wordt Katwijk als gebied zelfs nog weer in vier delen gesplitst, nl. Achter-Katwijk: links van de Katwijkerlaan (als men van Pijnacker naar Zoetermeer gaat), Voor-Katwijk: rechts van de Katwijkerlaan, echter tot aan de zijweg naar Berkel, Katwijk in de Veur (elders ook Katwijk in de Voer): eveneens aan de rechterkant, maar voorbij de zijweg naar Berkel. Dit gebied behoort thans tot de gemeente Zoetermeer, Keulen: het punt van de afslag naar Berkel en de bebouwing van het eerste deel van deze zijweg. Men sprak ook wel van Katwijk en Keulen, wanneer men het gehele gebied bedoelde.

Nieuwkoop

Nieuwkoop, oudtijds Nieucoep, Nytcoop en Nouwe coep, bestond ook reeds in de Middeleeuwen als kwartier van het Ambacht Pijnacker. De Nieuwkoopseweg herinnert er nog aan. Nieuwkoop zal genoemd zijn naar de koop van een nieuw stuk te ontginnen land. Het woord ‘koop’ of ‘cope’ had echter in de Middeleeuwen een zeer specifieke betekenis. Toen de beste stukken grond waren uitgegeven voor het stichten van hoeven, gingen de graven ertoe over de minder goede stukken uit te geven in de vorm van ‘copen’. Hierbij verkreeg men een stuk grond ter beschikking, waarover wel een jaarlijkse ’tijns’ was verschuldigd, maar waarbij men niet de verplichting had om herendiensten e.d. voor de graaf te verrichten, zoals dat voor hoeven gebruikelijk was. Nieuwkoop bestond uit twee delen: Voor-Nieuwkoop tussen Nieuwkoopseweg en Noordweg en Achter-Nieuwkoop aan de andere zijde van de Nieuwkoopseweg.

Vlieland

Vlieland lag langs de weg, die ook nu nog Vlielandseweg heet. Het wordt in de Middeleeuwen wel vermeld, maar het vormde geen afzonderlijk kwartier van Pijnacker.

Op het einde van de Vlielandseweg, waar de Katwijkerlaan afslaat, stond vroeger een herberg, genaamd Het Mophuis. In latere jaren tot in deze eeuw was hier nog een café annex smederij gevestigd.

De Hoogh of de Hooght

De Hoogh was gelegen ten oosten van de Klapwijkseweg. Dit gebied vormt het einde van de vloedkreek (zie hst. I en II) en is daardoor zeer vruchtbaar. Door zijn hoge ligging was het al zeer vroeg bewoond. Het middelpunt werd gevormd door de Munnikenwoning, waarschijnlijk genoemd naar een familie de Munnik die er in de 17e eeuw woonde. De hoeve is echter veel ouder. Het is een oude ontginningshoeve, die waarschijnlijk ettelijke malen herbouwd is. Nog een klein gedeelte is ervan over. Een tiental jaren geleden is hier een loden plaatje gevonden met een huismerk en het jaartal 1593. In de 17e eeuw zijn op de Hoogh verscheidene kapitale boerderijen verrezen.

Korea

Korea is een moderne naam voor het kassengebied op de Hoogh. De naam zal wel verband houden met de grote afstand tot de kom van het dorp. In de tijd, dat deze uitbreiding tot stand kwam, was er de Koreaanse oorlog (1950-1953) geweest. Veel Nederlandse vrijwilligers hadden meegevochten aan de zijde van Zuid-Korea en de Verenigde Staten. In het vaderland leefde men hevig mee met ‘onze jongens’, die vooral door het klimaat vele ontberingen moesten doorstaan in een zo ver weg gelegen land. De grote afstand sprak tot de verbeelding. Inmiddels is de naam weer enigszins in onbruik geraakt. Alleen in tuinderskringen wordt ‘Korea’ nog wel eens gebruikt. Door autochtonen wordt ook nog wel eens de oudere naam de Hoogh gebezigd.

Oude Leede

Oude Leede is genoemd naar het riviertje de Leede, overblijfsel van een oude vloedkreek, zoals we hebben gezien in hoofdstuk 2. Dat Oude Leede, bijna even oud als Pijnacker en liggend op een andere vloedkreek, altijd tot Pijnacker heeft behoord, houdt misschien verband met het feit, dat de weg van Pijnacker naar Delft vroeger via Oude Leede liep. Merkwaardig is overigens, dat het in tegenstelling tot Katwijk en Nieuwkoop geen afzonderlijk ‘kwartier’ van Pijnacker was. Het woord ‘Oude’ in Oude Leede is niet geheel verklaard, want er bestaat geen Nieuwe Leede. In het Tijdschrift “Pijnacker”  13) is de suggestie gedaan, dat Oude Leede een verbastering zou kunnen zijn van ‘upten Leede’, d.i. op de Leede, waarmee men mensen uit deze buurtschap aanduidde.

Biesland

Biesland ligt ten noorden van Delfgauw en Pijnacker en wordt begrensd door de Tweemolentjesvaart, de Noordkade en de Sint-Janskade (het verlengde van de Rijskade). Biesland, oorspronkelijk een deel van Vrijenban, is ontstaan door de aanleg van kaden langs de wateringen rond 1450, waardoor een afzonderlijke polder ontstond. Bij de gemeentelijke indeling van 1814 werd Biesland, hoewel het geen dorpskern heeft, vreemd genoeg een afzonderlijke gemeente. Het schoutambt, later het burgemeestersambt, werd echter bekleed door de schout resp. de burgemeester van Pijnacker. In 1833 werd Biesland als gemeente opgeheven. Het gebied werd bij Vrijenban gevoegd. Bij de opheffing van de gemeente Vrijenban in 1920 kwam weer een deel van Biesland bij de gemeente Pijnacker. Thans wordt een groot deel van het voormalige Biesland ingenomen door de Delftse Hout.

Poortland

Poortland behoort tot Delft. Het lag weliswaar buiten de stadsgrachten, maar er gold wel het stadsrecht van Delft, omdat het poorters van Delft waren, die zich daar gevestigd hadden. Later werd dit gebied algemeen aangeduid als Wippolder, waarschijnlijk genoemd naar een wipmolen, die hier vroeger zal hebben gestaan (een wipmolen is een molen waarvan het gehele bovenhuis draaibaar is). Thans is het gebied vrijwel volgebouwd met woningen. Ook de gebouwen van de Technische Hogeschool liggen in de Wippolder.

Nootdorp

Nootdorp, vroeger ook vaak gespeld Nooddorp, heeft zijn eigen geschiedenis, waarop hier niet zal worden ingegaan. In de 19e eeuw had het echter, hoewel een aparte gemeente zijnde, altijd dezelfde burgemeester als Pijnacker. Eerst in 1933 is hierin verandering gekomen, toen de heer H.C.A.M. SchÖlvinck tot burgemeester van Nootdorp werd benoemd.

Koningsveld

Koningsveld is gesticht door Ricardis, overleden 1266, een zuster van Graaf Floris IV en tante van de Rooms-Koning Willem II, waarnaar Koningveld was genoemd. Volgens een kroniekschrijver liet zij haar paleis vertimmeren tot een nonnenklooster. Het had een dubbele gracht met een muur op het land tussen beide grachten. Het klooster stond nabij de Rotterdamse poort net buiten de stad Delft, maar het behoorde tot de parochie van Pijnacker, waarover het klooster het patronaatsrecht had. In 1572 werd het klooster door de Delftenaren met de grond gelijk gemaakt, omdat ze vreesden, dat de Spanjaarden het als bolwerk tegen Delft zouden gebruiken (zie hoofdstuk 3) . Overigens moet er vlakbij ook een mannenklooster met dezelfde naam hebben gestaan, dat reeds enige jaren tevoren geslecht was.

Voetnoten:

  1. Kaartboek Weeshuis te Delft, Atlas van het Gemeentearchief Delft
  2. Bijdragen tijdschrift Historisch Genootschap, deel XXII, blz. 213, Gemeentearchief Delft
  3. Oorkondenboek Holland en Zeeland, editie Koch, nr. 233
  4. Corpus Sigillorum Neerlandicorum, nr. 1182
  5. Algemeen Rijksarchief, L.H., inv. nr. 49, f 52
  6. Delftse Statenkloosters, Koningsveld, Algemeen Rijksarchief, inv. nr. 92 7) Grafboeken van de Oude Kerk 1367 en 1420, Gemeentearchief Delft
  7. als noot 7)
  8. Nassau la Leck, Algemeen Rijksarchief, inv. nr. 705
  9. Archief van de Abdij van Egmond, Algemeen Rijksarchief, inv. nr. 1, f 72v
  10. Algemeen Rijksarchief, L.H. , inv. nr. 52, f 194
  11. Wassenaar en de zeemacht, prof. dr. T. H. Milo, Historische Vereniging Oud-Wassenaar, Wassenaar 1965
  12. Pijnacker in de 15e eeuw (I), Tijdschrift ‘Pijnacker’, dec. 1970

 

U bevindt zich hier: Home > Geschiedenis van Pijnacker > Schetsen van Pijnacker > Schetsen van Pijnacker, hoofdstuk 4