Ontstaan van Pijnacker en archeologie
Ontstaan

Rond 300 v. Chr. was de zeespiegel zodanig gestegen, dat in de Maas-Merwede delta de zee doorbrak. Het zuiden en het middengebied van Zuid-Holland overstroomden. Tweemaal daags kwam de vloed en overstroomde het land. Jaar in, jaar uit, vier eeuwen lang. Hierdoor werden geulen of vloedkreken in het veen uitgeschuurd. Ook werden grote hoeveelheden klei en zand aan de kanten van deze vloedkreken afgezet.
Omstreeks 100 na Chr. was het gebied achter de duinen zodanig opgehoogd, dat het zeewater niet meer dagelijks binnenstroomde.
Het veen klonk verder in dan de klei. Hierdoor ontstonden hogere kleiruggen in het landschap.
De oude dorpskern van Pijnacker ligt op het einde van zo’n kleirug. Ontstaan uit een uitloper van een vloedkreek, de Grote Gantel. De eerste bewoners vestigden zich waarschijnlijk tussen 800 en 1000 in dit hoger gelegen gebied.
Eind 10de eeuw groeide het gehucht uit tot een ‘hovelijke ontginning’ De eerste bewoning concentreerde zich op de ‘Grafelijke Hof’, het huidige koningshof waar later ook de dorpskerk werd gebouwd – en langs de Kerkweg.
Op 26 juni 1251 wordt Pijnacker voor het eerst genoemd. De toenmalige Graaf van Holland, Willem II beloofde zijn tante Ricardis de inkomsten van het land, de kerk en het patronaatsrecht van Pijnacker te geven. Zij moest dan haar plan tot stichting van een klooster realiseren. Dit klooster moest liggen binnen het gebied van de parochie van Pijnacker. Ons dorpje verkeerde toen in welvarende staat. De parochiekerk bewees dat Pijnacker een echte nederzetting was. Een van de oudste in de regio.

Op een uit 1611 overgeleverde kaart is zichtbaar dat rondom de kruising van de Kerkweg-Noordweg en de voormalige Laanvaart reeds bebouwing aanwezig was. De Laanvaart was het verlengde van de Pijnackersevaart, de waterweg tussen Delft en Pijnacker.
Waarschijnlijk is de Laanvaart een overblijfsel van een oude vloedkreek. Al voor 1576 is deze uitgediept en recht getrokken. Zo werd het mogelijk om de vaart voor afwatering en scheepvaart te gebruiken. Eeuwenlang was de vaart een groot deel van het jaar de enige mogelijkheid om goederen en personen te vervoeren. De onverharde wegen waren onbruikbaar voor het vervoer met door paarden getrokken wagens.
Vanaf de 16de eeuw tot en met de 18de eeuw was turfwinning de voornaamste bron van inkomsten voor de inwoners van Pijnacker, met al belangrijkste afzetgebied de stad Delft. Door de ontvening ontstonden meren en veenplassen die na de drooglegging vruchtbare polders werden.
Archeologie en opgravingen
De gelegenheid hebben om te kunnen en mogen opgraven doet zich maar weinig voor.

In 1976 heeft het Historisch Genootschap ‘Oud-Pijnacker’ een opgraving kunnen verrichten op het erf van de boerderij aan de Noordweg 29. Deze boerderij ligt op het dichtgeslibde stroombed van een vloedkreek. Het betreft hier één van de oudste bewoningsplaatsen van Pijnacker en naaste omgeving. De bewoners hebben zich vermoedelijk omstreeks het jaar duizend op de hoge verlande vloedkreek gevestigd en doordat zij hun woonerf, in verband met het stijgende waterpeil, steeds hebben verhoogd is er een woonterp ontstaan. Een dergelijke woonterp ten oosten van Delft is zeer zeldzaam.
De boerderij was bijna geheel opgebouwd uit kloostermoppen, met de hand gevormde bakstenen van 27 x 12 x 6 cm welke dateren uit de periode van ca. 1200 tot 1400. Bij het onderzoek bleek dat er drie woonlagen van ongeveer 30 cm in de ondergrond aanwezig waren, met de huidige woonlaag dus vier woonlagen. Het begin van de huidige woonlaag kan gesteld worden op ca. 1715, omdat kort daarvoor op de kaart van de gebroeders Cruquius in 1712 de hoeve anders getekend is en de resten van de verbouwing zoals kalkresten nog volop in deze woonlaag aanwezig waren. Vóór 1715 is het driemaal tot een nieuwe vestiging gekomen. Daar het zeer aannemelijk is dat de eerste stenen hoeve er zo’n driehonderd jaar gestaan heeft, zouden er dus vóór 1400 reeds twee vestigingen hebben plaats gevonden.
Dit zijn dan wel houten behuizingen geweest. We mogen dus wel stellen dat er vanaf omstreeks het jaar duizend een constante bewoning op deze plaats is geweest, mede doordat in de eerste bewoningslaag potscherven zijn aangetroffen die gedateerd worden tussen 900 en 1200.

In 1983 kon in samenwerking met de Archeologische Werkgroep Nederland (A.W.N.) een onderzoek worden ingesteld bij de sloop van het woongedeelte van de boerderij van de familie Langelaan aan de Klapwijkseweg 19. Op het erf stond de L-vormige boerderij. Traditioneel voor deze contreien lag de woonvleugel aan de oostzijde en de stal aan de westzijde. Op de kaart van Cruquius uit 1712 staat een boerderij ingetekend aan de oostzijde van de Klapwijkseweg, even ten zuiden van Kloosterheul, bij de samenkomst van de Laan en de Vlielandseweg.
Toen bij de sloop van de muren rode 15e-eeuwse moppen met een formaat van 27,5 x 13,5 x 6,5 cm werden aangetroffen, zocht de familie contact met het Historisch Genootschap ‘Oud-Pijnacker’, dat samen met de A.W.N. een kort onderzoek instelde. Het erf ligt net als Pijnacker zelf op de late Duinkerke I kleiafzetting van een uitloper van het Gantelsysteem. Boringen toonden een kleipakket aan van zeker 3,5 m dik. Door inversie van het omringende veen ligt het erf bijna een meter hoger dan het aansluitende weiland en hoort bij de strook land die op de kaart uit 1712 dan ook niet voor niets ‘De Hoogt’ wordt genoemd.
Voor onderzoek waren alleen nog de noord- en oostwand van de kelder beschikbaar, alsmede de pompput in de zuidoosthoek van de kelder. De keldervloer zelf bestond uit een speciebed direct op de klei, waarin vele soorten plavuizen waren gelegd. De buitenmuren waren gemetseld in vele soorten stenen, die datering van het metselwerk moeilijk maken. De onderste lagen van de kelderfundering bestonden uit de genoemde moppen die, gezien de sporen van afgetikte mortel, duidelijk secundair verwerkt waren. Door de vondst van Delftse tegels uit het eerste kwart van de 17e eeuw, die verwerkt waren voor de oplegging van de balken van de woonvloer boven de kelder, vermoedde men dat het oudste deel van de woonvleugel 17e-eeuws is. In de uitgegraven grond werden scherven van gebruiksaardewerk gevonden.
Veel was niet ouder dan 17e-eeuws, maar er waren ook scherven van gesmoord aardewerk en een bodemfragment van een kannetje met zogenaamde lobvoeten uit de late 14e eeuw. Op het erf is een zeker 4 à 5 meter diepe gemetselde waterput aanwezig is, doorgaand tot in de waterdoorlatende zandplaat, die naar zeggen in de droogste zomers de enige put was waar de ingezetenen van Pijnacker water uit konden putten.
U kunt meer lezen over dit onderwerp in het boek “Schetsen uit de Geschiedenis van Pijnacker” uit 1986, de hoofdstukken 1 t/m 5 en in hoofdstuk 11.
U bevindt zich hier: Home > Geschiedenis van Pijnacker >





