Schetsen van Pijnacker
Uit: Schetsen uit de geschiedenis van Pijnacker, 2de druk,1986
Het graafschap Holland en de eerste vermeldingen van Pijnacker
In het vorige hoofdstuk zijn de transgressies of overstromingen in het westen van ons land ter sprake gekomen. Het middendeel van Holland moet dan ook van de 2e tot de 9e eeuw vrijwel onbewoonbaar zijn geweest. Wellicht kwamen er zo nu en dan mensen uit hoger gelegen streken bijvoorbeeld om vis te vangen of riet te snijden, maar die dan na enige dagen of weken weer vertrokken.
In tegenstelling tot het binnenland kwam het duin-gebied nimmer onder water te staan. Dit is dan ook steeds bewoond geweest. Verschillende vondsten hebben dit bevestigd. Zo zijn er in Rijswijk en aan de Scheveningseweg in Den Haag resten gevonden van boerderijen uit de laat-Romeinse tijd (ca. 250-350) en aan de Johan van Oldenbarneveldlaan in het voormalige duingebied van Scheveningen overblijfselen van een boerderij uit de Merovingische tijd. In Wassenaar aan het Plein zijn scherven gevonden, die duiden op bewoning zowel in de Merovingische als in de Karolingische tijd. De oudste bewoningskernen in deze streken zijn waarschijnlijk Wassenaar, Rijswijk en Monster, allen gelegen in de duinstreek. In Voorburg, dat nog gedeeltelijk op een strandwal ligt, zijn in de buurt van de Prinses Mariannelaan belangrijke Romeinse overblijfselen gevonden. Voorburg was zelfs een Romeinse stad met de naam Forum Hadriani. Keizer Hadrianus (117-138) zou hier persoonlijk zijn geweest.
Volgens de Voorburgenaren is Voorburg de oudste stad van Nederland. Tot nu toe is echter niet gebleken, dat het latere Voorburg een voortzetting van deze Romeinse stad is. Bouwresten of bewoningssporen uit de periode 400-1200 zijn hier nooit aangetroffen en ook uit schriftelijke bronnen valt niet het bestaan van Voorburg in deze periode af te leiden.
Toen het binnenland van Holland in de 9e eeuw enigszins bewoonbaar werd, is het geleidelijk bevolkt en wel vooral van-uit de duinstreek. Dit geschiedde in de vorm van ontginningen, eerst direct achter de duinen, daarna steeds dieper het binnenland in. Door het graven van sloten en vaarten moest het land gedraineerd worden. Men verbouwde granen en voedingsgewassen. De boerderijen of hoeven werden op de verlande vloedkreken gebouwd die iets hoger waren, waardoor wateroverlast voorkomen werd. De ontginningen en de kolonisatie geschiedden loodrecht op de kust. Verschillende ontginningswegen zijn terug te vinden in thans nog bestaande straten, zoals de Beeklaan in Den Haag en de Zijdelaan en Papelaan in Wassenaar.
Door de Hollandse graven werd deze politiek van ontsluiting van het binnenland sterk aangemoedigd. De graaf verleende concessie voor de ontginning en trad daarna vanzelfsprekend op als leenheer van het nieuw verworden gebied. Iets verder, het binnenland in, ontstonden in een iets later stadium Delft en Pijnacker, beide op uitlopers van de Grote Gantel, de belangrijke vloedkreek die van de Maasmond tot diep in het binnenland reikte. Ook vanuit het Sticht (het bisdom Utrecht) heeft ontginnings-activiteit plaats gevonden, zoals blijkt uit een oud register van de Sint-Maartenskerk te Utrecht, waarin, naar men meent, bezittingen te Pijnacker, Delft en Ruiven worden genoemd. Op dit register, dat gedateerd wordt omstreeks 960, wordt nog teruggekomen bij de oorsprong van de naam. Ook uit de staatkundige geschiedenis is wel het een en ander op te maken.
Ontstaan van het graafschap Holland.
In de 2e helft van de 9e eeuw regeerde hier Godfried de Noorman. Hij was hertog van Friesland en erkend als leenman van de keizer. Dit Friesland moet men niet identificeren met de tegenwoordige provincie van die naam want het omvatte geheel Nederland, België en het westen van Duitsland. Tekenend hiervoor is dat Trier min of meer de hoofdstad was. Deze Godfried oefende een schrikbewind uit. Zijn bestuur bestond uit moord-, roof-en plundertochten zowel buiten als binnen zijn eigen gebied zodat volgens overgeleverde berichten alle hoofdwegen tientallen jarenlang door verse lijken geflankeerd waren. Terwijl hij complotteerde om Lotharingen in handen te krijgen werd hij in 887 vermoord door de ‘Friese’ graven Gerolf en Gardolf, gebroeders.
Daarna ontstond een soort machtsvacuüm. De macht van de Noormannen was plotseling verdwenen en medestanders hadden ze hier niet. De koningen van het West- en het Oost-Frankische rijk (het latere Frank-rijk en Duitsland) betwistten elkaar deze gebieden en bij opvolgende verdragen behoorden ze nu eens tot het ene en dan weer tot het andere rijk totdat in 925 een deling tot stand kwam, die in de gehele verdere Middeleeuwen gehandhaafd bleef. Hierdoor kwam het gebied grotendeels aan het Oost-Frankische rijk (het Duitse rijk). Uitgezonderd waren onder meer een deel van Vlaanderen, Henegouwen en Artesië (Artois) die aan het West-Frankische rijk (Frankrijk) kwamen.De grens volgde ongeveer die van de vroegere Romeinse provincies.
In 916 en nogmaals bevestigd in 922 werd Dirk I, een zoon van graaf Gerolf, door de Franse koning Karel de Eenvoudige beleend met Kennemerland en Texel nadat zijn oudere broer Waldger eerder was beleend met het Gooi, het land van Lek en Hollandse IJssel en Testerbant (Betuwe). De nakomelingen van Waldger hebben hun gebied niet kunnen handhaven mede doordat de Duitse koningen en keizers dit later stukje bij beetje aan de bisschop van Utrecht schonken. De nakomelingen van Dirk I waren echter bijzonder krachtige persoonlijkheden die door een eeuwenlange strijd met andere vorsten gebied na gebied veroverden of in leen ontvingen wat uitgroeide tot de latere graafschappen Holland en Zeeland.
Graaf Dirk II (939-988), de zoon van Dirk I, was in zijn tijd een staatsman van Europees formaat die zich niet alleen met zijn eigen gebied bezig hield, maar ook met de interne staats-aangelegenheden van Frankrijk en het Duitse rijk. Zo snelde hij naar Duitsland toen voorzieningen moesten worden getroffen bij de dood van Keizer Otto II in 983 en de minderjarige Otto III hem moest opvolgen. Hij wist bij deze gelegenheid tevens te bewerken dat hij en zijn geslacht niet langer leenhulde aan de Duitse keizers behoefden te brengen. Dit ‘eigendomsrecht’ van de graven van Holland werd echter bij het uitsterven van het Hollandse huis in 1299 door de toenmalige keizer Albrecht I niet erkend.
Dirk II bezette het gehele gebied langs de Hollandse kust. Dit behoorde nominaal tot het bisdom Utrecht maar de bisschoppen oefenden hier geen feitelijk gezag uit, behalve in Leiden waar een burggraaf als leenman van de bisschop zetelde. Dirk II liet daarom Leiden en het Rijnland (ter weerszijden van de Oude Rijn) liggen. Wel bezette hij de Maasmond en de ZuidHollandse en Zeeuwse eilanden en voorts na de dood van zijn schoonvader, Graaf Arnulf van Vlaanderen, Gent en het land van Waes.
De verovering van de gehele kuststreek door Dirk II viel samen met de tijd van de eerste kolonisaties van het binnenland. In de nieuwe gebieden werden ‘bottingambachten’ gesticht. Dit was een recht dat Dirk I waarschijnlijk bij zijn belening had ontvangen. Het hield in dat de graaf het ambacht geregeld bezocht en recht sprak. Botting komt van ‘bodt ding’, dit is ‘geboden’ dus vooraf aangekondigd geding. Het hield echter ook in dat de bevolking de graaf en zijn gevolg gedurende die tijd moest onderhouden door leveringen van voedingsmiddelen en andere behoeften en levering van ambachtelijke diensten. Geld was er weinig in omloop zodat de graaf in het onderhoud van zich zelf en zijn gevolg moest voorzien door rond te trekken en zich telkens ter plaatse te laten onderhouden. Ook in andere landen was het in die tijd regel dat de vorsten op deze wijze hun gebied bereisden.
Het rondtrekken van de Hollandse graven heeft niet lang geduurd en de botting werd spoedig omgezet in een grafelijke belasting die overigens ook daarna vaak in natura werd voldaan. In 1063 bij het verdrag van Leimuiden kwam er een einde aan het stichten van bottingambachten. De daarna in leen gegeven gronden waren gewone ambachten (of ambachtsheerlijkheden) die van de onderhoudsplicht van de graaf waren vrijgesteld.
Nu blijkt uit stukken van 3 à 4 eeuwen later dat er in Delfland 4 bottingambachten waren die toen ook nog steeds botting moesten betalen. Dit waren Delft, Pijnacker, Maasland en Vlaardingen. Hieruit kan dus met zekerheid worden geconcludeerd dat Pijnacker voor 1063 moet zijn gesticht. Gezien het voorgaande lijkt de mogelijkheid dat dit al in de periode 950-1000 gebeurde zeer waarschijnlijk.
Voordat Pijnacker in de annalen wordt vermeld zou echter nog eeuwen duren. We zullen daarom de geschiedenis van het graafschap Holland in grote lijnen vervolgen.
Graaf Arnout (of Arnulf) (988-993) sneuvelde in een expeditie langs de Maas. Dirk III (9931039) stichtte een tol aan de Merwede. Dit was een uitdaging ten opzichte van de bisschop van Utrecht die aanspraken maakte op dit gebied. Waar deze tol precies was, is niet zeker. Dordrecht en Vlaardingen betwistten elkaar de eer. Vroeger dacht men vooral aan Dordrecht omdat dit zich in de volgende eeuwen tot de grootste handelsstad van Holland ontwikkelde. Tegenwoordig denkt men echter eerder aan Vlaardingen. Een strafexpeditie van de Duitse keizer op verzoek van de bisschop van Utrecht (en deze weer aangezet door de kooplieden van Tiel die direct door de tol getroffen werden) eindigde met een overwinning van de graaf van Holland (slag bij Vlaardingen in 1018). Onder Dirk IV (1039-1049) was er weer een strafexpeditie en wel door Keizer Hendrik III persoonlijk geleid. Gent en het land van Waes en waarschijnlijk ook de Zeeuwse eilanden gingen verloren en Dirk IV werd vermoord.
Ook in de eeuwen daarna waren er nog veel schermutselingen. Vooral de Maasmond werd door velen begeerd. Niet alleen de Utrechtse bisschoppen maar ook de graven van Vlaanderen en Gelre en de hertogen van Brabant hebben vele pogingen ondernomen om dit gebied in handen te krijgen. Hoewel in de loop van de tijd de krijgskansen wisselden – zo waren de Zeeuwse eilanden nu eens in Vlaamse dan weer in Hollandse handen – slaagden de Hollandse graven op den duur erin hun bezit te consolideren en gelukte het hun ook nog verder naar het oosten door te dringen ten koste van gebieden of lenen van het bisdom Utrecht. In 1101 gaf bisschop Burchard van Utrecht noodgedwongen het burggraafschap Leiden en het Rijnland in leen aan graaf Floris II. Pas sinds die tijd noemden de graven zich graaf van Holland. Daarvoor worden ze vaak graaf in Friesland genoemd, een persoonlijke titel die nog uit de Karolingische tijd stamde en die niet inhield dat zij over Friesland regeerden. Gravin Petronella, de weduwe van Floris II die tijdens de minderjarigheid van haar zoon Dirk VI het regentschap voerde, lijfde het Rijnland voorgoed bij Holland in.
Onder Graaf Floris III (1157-1190), gestorven tijdens de Derde Kruistocht in Antiochië, werd een meer georganiseerd bestuur ingesteld. In het bijzonder werd de waterhuishouding die nodig was om het gebied bewoonbaar te houden (Nederland zakt 8 millimeter per eeuw) opnieuw geregeld. Het land werd verdeeld in waterschappen (later hoogheemraadschappen) met een baljuw aan het hoofd. De baljuw oefende tevens de hogere rechtspraak uit. In deze streken was het baljuwschap Rijnland het grootste. Het omvatte niet alleen het gebied langs de Oude Rijn maar ook de gehele kuststrook tot aan de Maasmond. Verder was er het baljuwschap Delfland, met Delft en hoofdzakelijk het gebied ten oosten van Delft, en het baljuwschap Schieland.
In het nieuwe gebied waren eertijds een aantal grafelijke uithoven (‘curtis’ genaamd) gesticht, van waaruit leenmannen bepaalde gebieden konden beheren. Op deze wijze ontstonden de volgende hoven: de Grafelijke Hof van Delft, Hof van Pijnacker, Hof van Maasland alsmede het Geestambacht, dit is de duinstrook van Monster tot ‘s-Gravenzande 1).
De Hof van Pijnacker was gesitueerd rond de oude kerk van Pijnacker, het tegenwoordige Koningshof. Misschien bestond in die tijd ook al de Kerkweg/Noordweg als verbindingsweg met een andere nederzetting (Nootdorp). De bewoning zal aanvankelijk geconcentreerd geweest zijn op de hof. Men moet zich dit voorstellen als een hoeve, ook vroonhoeve genoemd, met een ‘dienst-man’ of boer als rentmeester en misschien enige huisjes of hutten rondom. Het personeel van de hoeve bestond voor een deel uit vrije boeren en arbeiders en voor een deel uit ‘horigen’, die bij de hoeve ‘behoorden’. Deze laatsten mochten zich niet elders vestigen en ook niet trouwen zonder toestem-ming van de heer of de rentmeester. Rond de hof of hoeve lag het hofland (vgl. de Hoflandstraat), dat waren de akkers en de weiden. De gehele gemeenschap in de vroonhoeve moest samenwerken, o.a. ploegen, zaaien en oogsten. In die tijd was het zogenaamde drieslagstelsel in de landbouw in gebruik. In het eerste jaar werd wintertarwe gezaaid, in het tweede jaar zomertarwe en in het derde jaar liet men de akker braak liggen.
Na 1200 veranderden de leefomstandigheden. Hoeven en landerijen werden toen vaak verpacht aan vrije boeren en de horigheid verdween, o.a. onder invloed van de Kruistochten.
Een aanduiding van het bestaan van Pijnacker zou misschien kunnen zijn de vermelding van drie hoeven in de omgeving van Delft in de rekeningen van de rentmeesters van de Grafelijk-heid van 1199 2). De vroegste historische vermelding van Pijnacker is echter pas in een charter van 1222 (afbeelding no. 11).
In dit charter schenkt Graaf Willem I van Holland uit zijn renten in “··· Delf, Pinacker, Maslant en Flerdinc .. ” (Delft, Pijnacker, Maasland en Vlaardingen) een bedrag van 100 pond aan de kerk van St.-Marie in Rinsburg (Rijnsburg) ten einde daarmee goederen van de graaf in Buckeskop (Boskoop) van heer Giselbertus van Aemstel te kopen en 50 pond te betalen aan de kinderen van Ecbertus van Aemstel. Voor deze giften zal de abdis een priester aanstellen om aan een speciaal altaar de memorie te houden van de graaf, van zijn eerste gemalin Aleidis en van hun voorouders.
Graaf Willem I stierf spoedig daarop (4 februari 1222). De beroemde Abdij van Rijnsburg, die in het voorgaande is bedoeld, was gesticht door Gravin Petronella (ca. 1144), de gemalin van Graaf Floris II. Door vele giften van de opvolgende graven verwierf de abdij rijke bezittingen in de Nederlanden. Bij grafwerkzaamheden op de plaats waar de abdij heeft gestaan, zijn een tiental jaren geleden de stoffelijke resten van vele graven en gravinnen van Holland gevonden.
Afbeelding no. 11: De akte betreffende de schenking aan de Abdij van Rijnsburg in 1222 uit bezittingen van o. a. de kerk te Pijnacker, door Willem I, Graaf van Holland
De geschiedenis van Pijnacker is nauw verbonden me het klooster Koningsveld (afb. no.12) dat even buiten Delft bij de Rotterdamse Poort heeft gestaan.
In een oorkonde, gegeven te Ehrenbreitstein op 26 juni 1251, vergunt Willem II, RoomsKoning en Graaf van Holland, aan zijn ‘dilecta amita’ (geliefde tante) Ricardis (een zuster van Graaf Floris IV), dat wanneer deze ‘in curte nostra de Delf’ (in onze Hof van Delft) een klooster kan stichten, hij haar op 300 morgen lands vrijdom van belasting zal geven, evenals zij reeds geniet op het goed dat zij daar bezit, terwijl zij over het geheel een eigen schout zal mogen aanstellen.
Afb. no. 12: De ruïne van het klooster Koningsveld, naar een gravure uit het Gemeentearchief Delft
Ricardis noemde het klooster naar haar grote neef Campus Regis of Koningsveld. In een giftbrief die verloren is gegaan heeft Willem II daarna aan het klooster Koningsveld de kerk en het patronaatsrecht van het dorp Pijnacker geschonken. Willem II die in Rome tot keizer van het Heilige Roomse Rijk (Duitsland) gekroond zou worden wilde zijn roem tevoren nog vergroten door een veldtocht tegen de West-Friezen. Hij sneuvelde echter bij Hoogwoud in 1256.
Na de dood van Willem II is de schenking nog eens bevestigd door Floris de Voogd, de broer van Willem II, die als regent voor de minderjarige Floris V optrad. Deze oorkonde is bewaard gebleven.
De Nederlandse vertaling (alle oorkonden uit die tijd zijn in het Latijn) luidt ongeveer als volgt: “··· Wij Floris, Voogd van Holland, doen kond aan allen die deze brief zullen lezen dat wij ten aanzien van de nieuwe vestiging van de nonnen van Koningsveld goed gevonden hebben haar met Gods welgevallen het recht van patronaatschap van de kerk te Pijnacker en de kerk zelf met al haar inkomsten, milddadig toe te staan, echter nadat Willem, rector van deze kerk, afstand zal hebben gedaan of overleden zal zijn. De abdis zal de kerk door een wettige vicaris volgens haar opdracht ten eeuwige dage doen bedienen. En opdat na deze geen twijfel hierover zal bestaan hebben wij deze brief van ons zegel voorzien en aan haar ter hand gesteld. Gege-ven in Den Haag in het jaar des Heren 1257 op het feest van de Apostolische Stoel van de Heilige Petrus (22 februari) ”
Een soortgelijke bevestiging is in 1261 opnieuw gegeven door Gravin Aleidis van Henegouwen, zuster van Willem II, die na de dood van Floris de Voogd als regentes voor Floris V optrad. Overigens was het ook deze Gravin Aleidis die Schiedam in 1275 stadsrechten verleende. Nadien zijn er nog drie bevestigingen van de schenking geweest. Dit kwam omdat de Abdij van Rijnsburg aanspraken maakte. Pas in 1424 heeft de Abdij van Rijnsburg zich bij de toestand neergelegd.Toen was het klooster Koningsveld al sterk achteruitgegaan.
Na belangrijke schenkingen van de graven en van de adel in de 13e eeuw verminderde de belangstelling. In 1377 kon het klooster door geringe inkomsten en geleden schade nog maar twintig nonnen herbergen. In 1452 werd Koningsveld door brand geteisterd en geraakte het in grote financiële moeilijkheden.
In 1572 kwam het einde. Dat was in het begin van de Tachtig-jarige Oorlog. De Delftenaren hebben toen het klooster dat juist buiten de wallen lag, afgebroken en platgebrand om te voorkomen dat de Spanjaarden zich erin zouden verschansen.De kloosterzusters kregen nadien van de Staten van Holland levenslange alimentatie. De laatste abdis, Katerina Utenham, overleed in 1596 te IJsselstein.
Nabij de Nederlands Hervormde Kerk te Pijnacker heeft tot in de Eerste Wereldoorlog een boerderij met de naam ‘Koningshof’ gestaan die waarschijnlijk de oude band met het klooster Koningsveld nog levend hield. Het gemeentebestuur heeft daarna bij een nieuwe huisnummering de straat rond de kerk Koningshof genoemd.
Uit het feit dat rond 1250 de kerk van Pijnacker met al haar inkomsten aan het klooster Koningsveld werd geschonken, mag men wel afleiden dat het dorpje toen in welvarende staat verkeerde. Dat Pijnacker een eigen parochiekerk had is eens te meer een bewijs dat het tot de oudste nederzettingen behoorde. Door sommigen wordt zelfs beweerd dat de Oude Kerk van Delft aanvankelijk tot de parochie van Pijnacker behoorde, door anderen wordt dit tegengesproken.
Uit een bij toeval eerst in 1956 in Londen ontdekte oorkonde 3) verkrijgen wij een inzicht in de Graafschappen van Holland en Zeeland in de 2e helft van de 13e eeuw.
Op 5 juli 1281 sloten Graaf Floris V (afb. no. 13) en Koning Eduard I van Engeland een verdrag 4) waarbij zij bepaalden dat de dochter van Floris, Margaretha, in het huwelijk zou treden met de koningszoon Alfons. Floris V had, zo blijkt uit deze bepaling, geen mannelijke opvolger (meer). Margaretha was in 1281 zijn enig kind. Hij beloofde de Engelse koning, wanneer het huwelijk een feit zou zijn, de helft van zijn land te zullen afstaan aan Margaretha en Alfons. Bovendien zou Margaretha de andere helft van het land erven indien hij geen zonen meer zou krijgen. Eventuele zusters van Floris V zouden niets ontvangen maar Floris nam aan dat de Engelse koning hen passende lijftochten zou verschaffen.
De verdeling van het land zou zo eerlijk mogelijk geschieden. De graaf zou de verdeling tot stand brengen en de koning kon kiezen welk deel hij voor zijn zoon en schoondochter wenste. Floris V werd echter in 1284 een zoon geboren die hem als Graaf Jan I van Holland zou opvolgen. Het huwelijksplan van 1281 bood dus voor de Engelsen door de geboorte van een troonopvolger nauwelijks meer enig voordeel. Daarop werd een nieuw verdrag gesloten voor een dubbel huwelijk. Naast Margaretha en Alfons, een huwelijk tussen Jan I en Elisabeth, dochter van de Engelse koning. Nog geen week nadat dit tweede verdrag over deze kinderhuwelijken tot stand gekomen was maakte de dood van Alfons in 1284 (11 jaar oud) een einde aan alle plannenmakerij en uiteindelijk vond alleen het huwelijk van Jan I met Elisabeth van Engeland plaats (1297). Deze verbintenis zou de eenheid van de Graafschappen van Holland en Zeeland niet in gevaar brengen zoals het huwelijksplan tussen Margaretha van Holland en Alfons van Engeland korte tijd gedreigd had wel te zullen doen.
Afb. no. 13: Graaf Floris V van Holland (1256-1296)
Na het sluiten van het verdrag in 1281 is Floris V niet uitgegaan van de wijsheid ‘komt tijd, komt raad’, maar is hij met ijver de bepalingen van het verdrag gaan uitvoeren.
Hij verdeelt zijn graafschappen in twee delen. Het noordelijke deel wordt begrensd door de Zijpe (bij Schagen) in het noorden, door het Sticht (het bisdom Utrecht) in het oosten en door de IJssel en de Maas in het zuiden. Dit deel omvat dan Kennemerland en wat men noemde ‘Noord’-Holland. Het zuidelijk deel omvatte ‘Zuid’-Holland, namelijk de Heerlijkheden Putten en Voorne en de eilanden Schouwen, Duiveland en Dreischor.
Voor ons is het noordelijk deel interessant. Dit gebied wordt nader onderverdeeld in:
- het Baljuwschap Kennemerland
- Noord-Holland Dowarium van Gravin Mathilde (Machteld), bestaande uit Monster, Maasland, De Lier en Zouteveen
- Dowarium domicille Ricardis, bestaande uit Delft, Hof van Delft, Hof van Pijnacker
- het Baljuwschap Schieland
(zie Verdelingsplan op afbeelding no. 14, vergelijk ook afb. no. 15 )
Afbeelding no. 14: Het verdelingsplan van Graaf Floris V 9 september 1281
Dit verdelingsplan roept wel een probleem op, namelijk hoe was nu de verhouding van het klooster Koningsveld tot Pijnacker (en tot Delft).
Hier volgen nog een twee akten waarin Pijnacker wordt genoemd:
Op 20 november 1399 vergunt Hertog Albrecht van Beieren, Graaf van Holland, Zeeland en
Henegouwen, aan Philips van den Dorpe en zijn nakomelingen al zulk land en veen in het Ambacht van Pijnacker “··· binnen zeekere limiten, uijt te geeven, te delven, in te steekan en te doen delven, op zeekere voorwaarden •• ” .
De turfgraverij was toen al aan de gang, met als gevolg het ontstaan van plassen.Op 21 februari 1452 “consenteert en ordonneert” Hertog Philips van Bourgondië “die van Pijnacker” om voortaan: “… in plaatse van op Zondag ’t welk onbetamelijk geoordeelt wierd, de vierschaar en regtdag te houden op maandag goedstijds voormiddag, en geeft hen seekere verdere regten rakende de regtsverordeninge …”
Deze ordonnantie strekt blijkbaar tot handhaving van de Zondagsrust. Merkwaardig is dat deze tot de inwoners is gericht, terwijl ze duidelijk bedoeld is voor schout en gezworenen.
Uit de tijd van de Middeleeuwen zijn niet zoveel stukken bewaard gebleven, zodat wij met grote sprongen door de geschiedenis zijn heengegaan. Meestal blijft het bij enkele vermelding van de naam Pijnacker in een of andere spelling. Over plaatselijke gebeurtenissen, over de mensen die er woonden en wat ze deden, zijn weinig berichten tot ons gekomen.
Dat verandert aan het eind van de 15e eeuw. Het is wel merkwaardig te bedenken dat – als we het ontstaan van Pijnacker omstreeks het jaar 950 dateren – we over de helft van de tijd dat Pijnacker heeft bestaan, eigenlijk niet veel meer weten dan dat het inderdaad heeft bestaan.
Afb. no. 15: De administratieve indeling van de Graafschappen Holland en Zeeland omstreeks 1345
Voetnoten:
- De geschiedenis van het Hoogheemraadschap Delfland, mr.dr. Th.F.J. Dolk, blz. 23, 1939
- Index op de registers van Delfland, fol. 149, V.S. R1535, Gemeentearchief Delft
- De Graafschappen van Holland en Zeeland in 1281, dr. F.W.N. Hugenhotz, 1950
- Oorkondenboek van Holland en Zeeland II, no. 424
U bevindt zich hier: Home > Geschiedenis van Pijnacker > Schetsen van Pijnacker >










