HGOP, pijnacker
z website 1.1 hervormde toren

HGOP Brengt geschiedenis dichtbij!

Schetsen van Pijnacker, hoofdstuk 7

Schetsen van Pijnacker

Uit: Schetsen uit de geschiedenis van Pijnacker, 2de druk,1986

Gebeurtenissen rond de Kerk in Pijnacker

 

De geschiedenis van de Kerk in Pijnacker begint reeds in de middeleeuwen met de vestiging van de eerste bewoners. In die periode was de gehele gemeenschap georiënteerd op de Rooms-katholieke Kerk.

In de loop van een kleine duizend jaren, tot aan onze tijd, hebben een zeer groot aantal politieke, religieuze en economische invloeden een ontwikkeling in het religieuze leven veroorzaakt, die via de Reformatie naar de pluriformiteit in onze tijd heeft geleid.  Het is binnen het bestek van deze uitgave onmogelijk een gedegen studie van de geschiedenis van onze Kerk over een tijdvak van bijna 10 eeuwen samen te stellen. Alleen die studie zou reeds de omvang van een dik boek hebben!

Wij vonden echter een vijftal inwoners van ons dorp bereid een toelichting te geven op enige aspecten van de geschiedenis van het religieuze leven. Uiteraard zijn vele historische feiten of belangrijke, vaak recente, ontwikkelingen niet aan bod gekomen, doch wij zijn ervan overtuigd, dat de bijdragen menigeen zullen interesseren.

De Rooms-Katholieke Kerk van Pijnacker in de loop der eeuwen.

De oudste kerk van Pijnacker die gebouwd was op de plaats waar nu de Nederlands Hervormde kerk in het Oude Dorp staat dateert van vóór 1252. Immers in dat jaar schenkt Graaf Willem II aan zijn tante Ricardis, die het klooster Koningsveld stichtte, behalve vele gunsten, ook de kerk van Pijnacker met haar inkomsten en het patronaatsrecht: het recht om zelf de pastoor die de kerk zal bedienen, te benoemen. Hieruit blijkt dat de kerk er toen al was en tot de bezittingen van Graaf Willem II behoorde.

Reeds eerder schenkt Willem I een bedrag van 100 pond uit de renten van de kerkelijke bezittingen in Pijnacker aan de kerk van St.-Marie te Rijnsburg, namelijk in 1222 .

Afb. no. 38:  De akte betreffende de schenking aan de Abdij van Rijnsburg in 1222 uit bezittingen van o.a. de kerk te Pijnacker, door Willem I, Graaf van Holland.

De juiste stichtingsdatum van de parochie van Pijnacker, die oorspronkelijk was gewijd aan de H. Laurentius en later aan de H. Joannes de Doper, is niet meer exact te achterhalen. Wij kunnen echter gevoegelijk aannemen dat de parochie gesticht is in de Grafelijke Hof van Pijnacker en wel vóór 1222. De oude middeleeuwse parochie van Pijnacker omvatte behalve de huidige burgerlijke gemeente ook nog een stuk van het Ambacht Vrijenban, het Ambacht Ackersdijk en verder nog de Heerlijkheid Ruiven, Delfgauw en het zogenaamde Poortland, d.i. het land buiten de Oostpoort te Delft, de tegenwoordige Wippolder.

De groei van de parochie is in de eerste eeuwen zeer geleidelijk; zij telt in 1494 ongeveer 90 en in 1514 zo’n 115 huizen, met 450 communicanten.

Tot omstreeks 1567 is de parochie door opeenvolgende pastoors bediend. Tijdens de overdracht van de kerk uit de grafelijke bezittingen aan het klooster Koningsveld, werd de parochie bediend door een zekere Wilhelmus tot 1264 1). Na zijn overlijden maakt het klooster Koningsveld gebruik van het recht om een pastoor aan te stellen: een Norbertijn, omdat Koningsveld aan de Orde der Norbertijnen toebehoorde. Het voornaamste klooster van deze orde in Nederland was de Abdij van Mariënweerd.

In de lange rij van pastoors die tot aan de reformatie in Pijnacker hebben gestaan, komt er één pastoor naar voren die blijvend zijn stempel op de geschiedenis heeft gedrukt, namelijk Johannes de Beka. In 1316 wordt hij pastoor te Schiedam, daar na in Pijnacker. Hij vertrekt in 1327 naar het klooster te Egmond, waar hij zijn intrek neemt. Tijdens zijn verblijf in dit klooster heeft hij zich beziggehouden met het schrijven van zijn ‘Historica Ecclesiastica’, de geschiedenis der reizen van de H.H. Willibrordus en Bonifatius vrij uitvoerig beschrijvend. Daarnaast heeft hij, naar oude overleveringen, de oudste geschiedenis van ons land beschreven.

Naast de oudste, in rijmkroniek geschreven geschiedenis van ons land van Melis Stoke, wordt het werk van de vroegere Pijnackerse pastoor De Beka in één adem genoemd 2).

De laatstgemelde benoeming van een pastoor in Pijnacker is die van Symon Jacobsz. in 1559/1560. De datum van zijn vertrek uit Pijnacker is niet bekend. Uit gegevens bewaard in het Algemeen Rijksarchief te Den Haag blijkt dat hij niet de laatste pastoor is geweest voor de reformatie. Als zodanig wordt in een aantekening van 1588 genoemd Allardt van Lienden, die in 1567 met alle bescheiden en registers van de parochie met onbekende bestemming Pijnacker heeft verlaten.

In hoeverre de beeldenstorm van 1566 hier in Pijnacker gewoed heeft is niet bekend. In 1572 is de oorspronkelijke katholieke kerk overgegaan in handen van de protestanten.

Van ca. 1566 tot en met 1653 had Pijnacker geen eigen pastoor. Wel zorgden de Apostolisch Vicarissen Sasbout Vosmeer en Philippus Rovenius ervoor dat vanuit Delft het omliggende gebied door in Delft gevestigde priesters werd bediend. Het betrof rondreizende priesters. Omstreeks 1603 wordt als zodanig genoemd een zekere Jacob Odulphusz. uit Wognum. In 1609 vertrekt hij weer naar zijn geboortestreek en wordt rondtrekkend missionaris in West-Friesland. Tenslotte wordt hij nog pastoor in Wognum in 1621. Na het vertrek van Jacob Odulphusz. zijn de katholieken in Pijnacker weer zonder geestelijke hulp. De paters Jezuïeten uit Delft komen hen echter te hulp tot er in 1633 een meer definitieve oplossing wordt gevonden. In Berkel en Rodenrijs, waar het klimaat meer room vriendelijk is, wordt door Philippus Rovenius, Willem Huygensz. tot pastoor benoemd. Waarschijnlijk had hij reeds een drietal jaren als rondreizend geestelijke met standplaats Delft gewerkt. De herstelde parochie Berkel en Rodenrijs, waar een deel van de magistratuur zelf rooms-katholiek was gebleven, werd nu uitgebreid met een aantal vroegere parochiegebieden, die eromheen gelegen waren, waaronder ook Pijnacker. De nieuw benoemde pastoor oefent de eerste jaren zijn ambt uit in de boerenwoning van Jan Verburgh in Berkel. Uit het bewaard gebleven aantekenboekje van Willem Huygensz. blijkt heel duidelijk, dat het aantal katholieken in Pijnacker toen zeer beperkt moet zijn geweest 3). Pastoor Huygensz. toonde zich in Berkel een harde werker tot hij ten offer viel aan de pest die in Berkel uitbrak. Hij stierf op 29 september 1656, des morgens om 4.00 uur. Inmiddels had Pijnacker in 1653 weer een eigen pastoor gekregen met de benoeming van Adrianus Stella (Adriaen van der Sterre).

Op 19 oktober 1653 houdt de pastoor, zoals de 64-jarige kerkmeester Pieter Cornelis Langelaan getuigde, zijn eerste dienst ten huize van Jacob Dircks, die aan de Cloosterheul woonde. Dit is de tegenwoordige boerderij van de fam. C. Langelaan aan de Klapwijkseweg no. 19.

Pastoor Van der Sterre blijft niet lang in Pijnacker. In 1662 verhuist hij naar Rijnsaterwoude en wordt daar de eerste pastoor, in de nabijheid van zijn geboorteplaats. In 1667 wordt hij pastoor te Culemborg in de kerk aan de Varkensmarkt, waar hij op 5 augustus 1671 is overleden.

In Pijnacker wordt in 1662 Cyprianus Ooms, geboren te Leeuwarden en pastoor geweest in Workum (West-Friesland), de nieuwe pastoor. Na twee jaar zijn geestelijke arbeid hier te hebben verricht, overkomt hem een triest ongeluk: hij is, vermoedelijk in de duisternis, te water geraakt en verdronken.

Na de tragische dood van pastoor Ooms volgt Theodorus Crooneveen hem op; hij werd geboren te Zoetermeer. Zijn familie heeft een belangrijk aandeel gehad in de oprichting van het schuilkerkje aan de Voorweg voor de eerste pastoor van deze statie, Amandus van Nispen geheten.

Een familielid van pastoor Crooneveen, namelijk Jacob Crooneveen (overleden in 1698), gaf zijn huis aan de pastoor om als schuilkerk in te richten. Theodorus Crooneveen in Pijnacker was niet zo fortuinlijk dat hij een eigen kerk bezat: ook hij dient evenals zijn voorganger zijn ambt uit te oefenen in Pijnacker en Delfgauw. Toch slaagt hij erin te Pijnacker een kerkje te bouwen, waarnaar nu ook de katholieken uit Delfgauw kwamen. Dit zeer tegen de zin van de paters Jezuïeten in Delft.

Wij zullen u de wrijvingen die bijna een eeuw lang tussen de paters uit Delft en de pastoors te Pijnacker over het touwtrekken om de gunst van de katholieken in Delfgauw, besparen. Op hoog niveau werd deze kwestie voorgelegd, doch ondanks bevelen of uitspraken is het nooit tot pais en vree gekomen. Ook het feit dat pastoor Crooneveen bij decreet van 20 augustus 1671 door de Apostolisch Vicaris van Neercassel in het gelijk werd gesteld, nl. dat Delfgauw en Ackersdijk bij de statie Pijnacker behoorden, had geen directe uitwerking. De paters gingen rustig door met het uitoefenen van de zielszorg in Delfgauw. Dit schijnt pastoor Crooneveen veel verdriet gedaan te hebben. Na jarenlang nog in deze onverkwikkelijke situatie zijn ambt te hebben uitgeoefend, sterft hij op 15 april 1685.

Het kerkje dat door hem is gebouwd, brandde in 1773 af en stond op de plaats waar nu nog de na de brand herbouwde kerk staat, maar thans in gebruik is als kleuterschool aan de Oostlaan, achter de zwarte poort.

Oostlaan kerk uit 1755

Oostlaan 25 Zwarte poort

De nieuwbenoemde pastoor was Nicolaas Henricus van der Poort, afkomstig van een Utrechtse familie en omstreeks 1660 in Den Haag geboren. Hij blijft slechts korte tijd; dankzij de moeilijkheden met de paters Jezuïeten uit Delft vraagt hij nog in het-zelfde jaar overplaatsing aan, hetgeen wordt toegestaan. Zijn volgende statie wordt Utrecht in de parochie ‘Onder de Linden’.

Zijn opvolger in Pijnacker was Ignatius van Heyningen, geboren te Kouderkerk of Hazerswoude als zoon van de secretaris van de gemeente. Na zijn Leuvense studie wordt hij kapelaan in Delft en in 1685 pastoor in Pijnacker. Omdat deze pastoor tot de zogenaamde jansenistisch gezinde (naar de stroming van Jansenius in de katholieke Kerk) priesters behoorde, kon hij hier het vertrouwen van de katholieken niet winnen en mede door de bekende moeilijkheden met de Jezuïeten, was hij genoodzaakt Pijnacker te verlaten 4).

Ook de Apostolisch Vicaris Codde, midden in de winter naar Pijnacker gekomen om te trachten de vrede tussen pastoor en kerkgemeenschap te herstellen en tevens de Jezuïeten te vermanen, bemiddelde hierin tevergeefs. Het zal zowel voor pastoor Van Heyningen als voor de parochie van Pijnacker een blijde tijding zijn geweest, die hem op 4 januari 1690 bereikte, nl. zijn benoeming tot pastoor van de tweede statie in Dordrecht door Apostolisch Vicaris Codde. Het is maar goed dat Ignatius van Heyningen niet geweten heeft welk een zware tijd hem nog te wachten stond. Na nog vele jaren van miskenning en tegenwerking is hij later, in 1726 een oude man, rustend in het Bagijnhof van Delft: een door het leven volkomen teleurgestelde mens, zo getuigen zijn nagelaten brieven. Hij was godvruchtig en vroom en meende het ongetwijfeld goed, maar werd slachtoffer van de verdeeldheid onder de christenen.

Zijn opvolger was Lambertus van Rhijn, die even snel weer met dezelfde moeilijkheden in aanraking kwam als zijn voorgangers. Hij was geboren te Weesp en studeerde eveneens in Leuven. Als kapelaan in Rotterdam krijgt hij op 8 januari 1690 zijn benoeming tot pastoor in Pijnacker. En nauwelijks 2 jaar later wordt hij gemengd in de kwestie tussen de jansenistisch gezinde partij enerzijds en de anti-jansenistisch gezinden onder de strijdvaardige pastoor van Kethel, Adrianus van Wijck, anderzijds.

Tegenslagen, de kwestie met de Delftse paters en zijn jansenistische inslag (waar vele katholieken het niet mee eens waren), waren er de oorzaak van dat hij in 1696 op eigen initiatief de zielzorg in Pijnacker verliet en als ambteloos burger hier bleef wonen. De Apostolisch Vicaris schreef hem dat hij verkeerd gehandeld had door zijn parochie in de steek te laten.

De teleurgestelde pastoor Van Rhijn deed wel pogingen om een andere statie toegewezen te krijgen, b.v. Langeraar en Velzen respectievelijk bij Aarlanderveen en IJmuiden, die vrijkwamen.

Vanaf 1696 reeds als gewoon burger in Pijnacker wonend, schrijft hij in december 1706 een brief aan Joannes Christiaan van Erckel, pastoor in Delft: “.. dat de Voorzienigheid blijkbaar niet wilde dat hij weer ging werken in de zielzorg .. “.

Maar in hetzelfde jaar komen er in Leiden twee staties vrij en zo zien wij hem op 23 december 1706 naar de statie aan de Appelmarkt gaan om de viering van Kerstmis meer inhoud te geven. Doch ook daar waren er problemen tussen aanhangers van het jansenisme en tegenstanders van deze stroming. En zo werd pastoor Van Rhijn door de stadsmagistraat van Leiden gedwongen ook deze statie te verlaten. Hierna vertrekt hij naar zijn geboorteplaats Weesp, waar hij als een eenzame en zonderlinge figuur leefde en niet zonder angst voor zijn bezit, als niet-onbemiddeld man, waaraan hij bovenmatig gehecht was. Dit werd zijn dood. Ondanks zijn voorzorgen ter bescherming van zijn geldelijk bezit, kon hij niet verijdelen dat hij in februari 1734, tijdens een ziekbed, des nachts vermoord werd door zijn buurman, die daartoe aangezet was door zijn vrouw.

Joannes de Roy volgt pastoor Van Rhijn op. Zijn eigenlijke naam was Joannes Baptista Loot, maar men noemde hem naar zijn moeder: De Roy. Na studies te Leuven en Rome komt hij in 1692 naar Pijnacker. Zijn gezondheidstoestand was echter zodanig zwak dat hij niet lang zijn herdersambt heeft mogen uitoefenen. Reeds op 8 mei 1705 komt hij vrij plotseling te overlijden.

Zijn opvolger wordt Govert van Vianen, eveneens afkomstig uit Utrecht. Op 26 mei 1705 doet hij zijn intrede in Pijnacker. Maar blijkbaar is ook zijn gezondheid niet opgewassen tegen de zware functie. Reeds in 1709 trekt hij zich uit het parochiewerk terug en leeft de laatste jaren als gewoon burger.

De volgende parochieherder was Silvester Corrège of Coerecht, geboren in Den Haag. Na kanunnik te zijn geweest in Diest, komt hij in 1709 naar Pijnacker. Zijn statie telt in 1726 200 communicanten. Hij sterft op 24 februari 1729.

Philippus de Weerd, geboren in Culemborg in 1696, werd de nieuwe parochieherder. Het kerkje dat hij hier aantreft bevindt zich in slechte staat en is bovendien te klein. Hij maakt plannen om de kerk te verbouwen en te vergroten, maar krijgt daarover een meningsverschil met de gelovigen. Daarom vraagt hij ontslag aan uit zijn functie en nadat dit is verleend vertrekt hij naar Sloten bij Amsterdam, waar hij in 1766 overlijdt.

Daarna krijgt Pijnacker pastoor Adrianus Bogaarts, geboren in 1693 in Gouda. Na eerst 22 jaar pastoor in Kralingen te zijn geweest en nog enkele jaren in Schiedam, komt hij in 1749 naar Pijnacker, waar hij vol ijver de zielzorg heeft waargenomen tot 17 januari 1773, de dag waarop hij sterft. Tijdens zijn pastoraat telt Pijnacker 296 communicanten.

Pastoor Cornelis van der Marck wordt de volgende dorpspastoor, geboren op 15 februari 1743 te Haarlem. Zijn benoeming komt af op 11 februari 1773.

Op 12 september in dat jaar brandt de kerk en enkele huizen tot de grond toe af, een indrukwekkende ramp voor die tijd. De inventaris en het archief met de oude doopboeken gingen grotendeels verloren. Slechts 4 zilveren kandelaars en een kelk werden gered. Op verzoek van de pastoor en kerkmeesters werd bij resolutie van 24 september 1773 door de Staten van Holland en West-Friesland toestemming verleend, voorlopig godsdienstoefeningen te houden in het huis van Pieter van der Valck, wiens boerderij stond aan Noordweg 29, die thans nog aanwezig is en gerestaureerd werd.

Twee jaar lang worden hier kerkdiensten gehouden. Intussen wordt er een nieuw kerkje gebouwd op de plaats van de oude en na het gereedkomen wordt op 21 april 1775 verlof verleend door de Staten om in de nieuwe kerk de diensten te houden. Op 12 juni 1775 wordt de kerk plechtig ingezegend. De eerste mis wordt opgedragen door pastoor Cramer uit Nootdorp. Deze kerk bestaat nu nog steeds aan de Oostlaan, achter perceel no. 25 (de oude pastorie), niet aan de straat (schuilkerk!).

Op zaterdag na Pasen in 1811 om precies te zijn op 20 april, stond pastoor Van der Marck klaar om naar de kerk te gaan, toen hij plotseling door de dood werd getroffen. Hij was 68 jaar oud. Kerk en armen an Pijnacker waren zijn erfgenamen. De parochie telt dan 387 communicanten.

De 14e pastoor na de Reformatie is Jacobus Joannes Tielen geboortig uit Amsterdam. Op 5 juli 1811 komt hij uit Bovenkarspel naar Pijnacker. Pastoor Tielen heeft veel verbouwd en verbeterd aan de kerk en pastorie. Ook zorgde hij voor de aanleg van een eigen kerkhof. De hiervoor verkozen plaats was zijn eigen tuin. De eerste overledene die hier werd begraven, is Antonius van Eyck uit de Katwijkerlaan. Om de aanleg van dit kerkhof te kunnen bekostigen, had het kerkbestuur geld geleend van de aartspriester. Toen er moeilijkheden ontstonden over de terugbetaling, riep de aartspriester de hulp in van de vice-superior van de Missie Mgr. Van Nooy en door zijn tussenkomst werd het geleende geld terugbetaald. Blijkbaar heeft pastoor

Tielen nogal eens moeilijkheden gehad met zijn Pijnackerse gelovigen. Aan aartspriester Banning schrijft hij eens: “.. een wonderlijk slag mensen schijnen die van Pijnacker te zijn, omdat zij al van oudsher tot op de dag van vandaag overhoop liggen met hun pastoors ..”.  Op 19 juli 1828 wordt hij pastoor van Berkenrode en in 1835 Deken van Kennemerland. Hij overlijdt in 1845.

Van 19 juli tot 5 nov. 1828 was Pijnacker weer zonder pastoor.

Een benoeming volgde op laatstgenoemde datum van Florentius Esman, geboren te Noordwijk. Hij was reeds op 13 juni 1803 tot priester gewijd en achtereenvolgens kapelaan geweest in Dordrecht en pastoor in Moordrecht. In Pijnacker stierf hij op 65-jarige leeftijd op 29 november 1845. Reeds vanaf januari 1843 had hij wegens zijn minder goede gezondheid assistentie gehad van kapelaan Roekes.

Daarop wordt er een pastoor benoemd die meer bekendheid heeft bij de katholieken van Pijnacker, al is het misschien door de overlevering, namelijk Petrus Joseph van Vlaanderen, geboren in Rotterdam op 20 november 1799 en tot priester gewijd in Münster op 17 november 1827. Daarna is hij kapelaan in Zoeterwoude en na nog diverse standplaatsen komt hij in Aarlanderveen. Daar bouwt hij in 1838 een nieuwe kerk. Op 11 december 1845 komt hij naar Pijnacker.

Bij een beschikking van de ‘Minister van Eredienst’ van 21 maart 1849 wordt de parochie gemachtigd een toren met klok op de kerk te bouwen, waarvan de kosten worden geschat op 991 gulden.

Ook sticht hij een armbestuur op om een beter beheer van de armengelden mogelijk te maken.  Op 30 juni 1870 is hij plotseling overleden.

De volgende pastoor is Bernardus van ’t Rood, geboren op 10 september 1824 in Amsterdam en op 14 augustus 1850 tot priester gewijd. Na als standplaatsen Nes, Zevenhoven, Voorburg, Haarlem en Rhoon te hebben gehad, volgt zijn benoeming in Pijnacker. Hij wordt de zogenaamde bouwpastoor, met als architect de heer Bleys, die ook de ontwerper was van de bekende St.Nicolaaskerk te Amsterdam.

Aan de bouw van de nieuwe katholieke kerk te Pijnacker heeft deze pastoor, die zeer rijk was, het grootste gedeelte van zijn vermogen besteed. Het was voor die tijd, in vergelijking met de omgeving van Pijnacker, een meer dan grote kerk. De nieuwe kerk is in 1892 gereedgekomen (afb. no. 39).

Afb. no. 39: De R.K.-kerk aan de Oostlaan. 

Verder heeft hij voor het seminarie ‘Hageveld’, gelegen in Heemstede, een boerderij aangekocht aan de Klapwijkseweg 85, thans bewoond door de fam. J.P.I. Ammerlaan. De boerderij werd ook genaamd ‘Hageveld’. Algemeen werd hij door zijn medebroeders ‘de kleine paus’ genoemd, terwijl zijn heerbroer, pastoor te Roelofarendsveen, ‘de grote paus’ werd genoemd.

In augustus 1874 wordt onder zijn leiding de jongens- en meisjesschool in aanbesteding genomen en op 14 januari 1875 in gebruik genomen. De school stond bij het kerkje op de Oostlaan, aan de achterzijde en is nadat in 1921 de nieuwe school aan de overzijde van de Oostlaan gebouwd werd, nog voor diverse andere doeleinden gebruikt, zoals bankgebouw voor de boerenleenbank, repetitielokaal voor het zangkoor en verenigingsgebouw. Pastoor Van ’t Rood overleed te Pijnacker op 12 maart 1901 en werd opgevolgd door Wilhelmus van de Polder.

Pastoor Van de Polder was geboren op 18 januari 1838 in Delft en tot priester gewijd op 15 augustus 1863. Achtereenvolgens was hij kapelaan te Schipluiden tot 1871, te Wateringen tot 1877 en pastoor te Lutjebroek tot 1901. Hij komt naar Pijnacker op 18 maart 1901. Reeds lang had hij op een pastoorsbenoeming in Pijnacker gehoopt, waardoor hij in de nabijheid van zijn familie in Delft kon wonen. Toen hij benoemd was zond hij een telegram naar zijn familie met de volgende inhoud: “.. Pijnacker, mijn akker ..”. Hij heeft echter niet lang zijn ‘akker’ mogen bewerken, slechts ruim 5 jaar.

Zijn opvolger kwam in de persoon van Franciscus Nicolaas van Zutphen, geboren in Berkel op 6 december 1851 en tot priester gewijd op 15 augustus 1876. Na in parochies te Den Haag en Leiden te hebben gewerkt, wordt hij pastoor te Wormer waar hij 14 jaar de scepter zwaait.

Groot en fors van gestalte, deftig van voorkomen, was deze pastoor een geboren heerser. Beter dan wie ook kon hij een paard besturen en met ijzingwekkende vaart reed hij door het dorp. Wist een boer in Wormer geen raad met zijn al te wild paard, pastoor Van Zutphen temde het in zijn achtertuin, net zo lang totdat het aan de teugel gewend was. Hij bezat een meer dan gewone gave om een parochie te besturen. Zijn talenkennis was zeer groot:

Spaans, Hongaars en Italiaans, wat voor die tijd wel bijzonder was.

Op 29 september 1906 wordt hij pastoor in Pijnacker, nadat hij voor een parochie in Amsterdam bedankt had.

Hij heeft grote aandacht voor de boerenstand. Verder richt hij in Pijnacker met de heren J. Ruygrok en L. Lemmers, leden van het parochieel armbestuur, een brief aan de burgemeester, waarin zij er op wijzen dat de armen van de parochie recht hebben op de helft van de zuivere opbrengst van de tienden aan de armen, zoals uit de rekening van 1905 bleek. Dit was namelijk het tweede jaar na de schenking van de opbrengst van de tienden aan de armen. Welke tienden opbrengst hieraan ten grondslag ligt en wie de schenker is van het kapitaal is niet bekend. De administratie was toevertrouwd aan zes personen, waarvan drie katholieken en drie niet-katholieken. In 1917 vraagt hij emeritaat aan, waarna hij zich vestigt in Hazerswoude en later in Roelofarendsveen en Ouderkerk aan de Amstel, en sinds 1932 in Overveen. Aldaar sterft hij op 26 januari 1933 en is te Wormer begraven.

Daarop komt pastoor Jacobus Johannes Bruning naar Pijnacker, geboren te Schoonhoven op 3 januari 1869 en op 17 februari 1894 tot priester gewijd. Tot 1897 was hij kapelaan in Delfshaven (bij Rotterdam) en tot 1909 in Haarlem. Vervolgens pastoor in Edam en vandaar komt hij op 8 september 1917 naar hier.

Nog maar enkele weken in Pijnacker, bereikt hem reeds een brief van de Congregatie van Jezus, Maria en Jozef (JMJ) te ‘s-Hertogenbosch waarin wordt meegedeeld dat de

Congregatie zich genoodzaakt ziet het zusterhuis in Pijnacker op te heffen. In augustus wordt dit een feit, maar reeds na 6 jaar, in 1924, komen zij weer terug in de oude pastorie aan de Oostlaan 25.

Onder het pastoraat van Bruning is de Johannesschool gebouwd die in 1921 in gebruik genomen werd. In 1931 wordt het Parochiehuis gebouwd en in mei 1932 ingewijd. Kort daarop gaat pastoor Bruning met emeritaat en rusten in Huize St.-Bavo te Haarlem.

Nu volgt pastoor Joannes Ferdinand Vincentius Zandvliet, geboren op 3 november 1877 in Den Haag, en priester gewijd op 16 augustus 1903. Na kapelaan te zijn geweest in Amsterdam en Zevenhoven komt hij in 1932 naar Pijnacker, waar hij tot zijn emeritaat in 1948 is gebleven.Tijdens zijn pastoraat is het H. Hartbeeld op het kerkplein geplaatst.

Hij was een rustig en vroom priester, eenvoudig en vriendelijk. Toch heeft deze pastoor een moeilijke tijd meegemaakt in de Tweede Wereldoorlog. Als middelpunt in het parochieleven was hij in verband met de uitvoering van acties door illegale verzetsstrijders, tijdens represaillemaatregelen door de bezetter een kwetsbare figuur. Immers, zijn kapelaan Raadschelders nam actief deel aan het verzet en was een vraagbaak voor onderduikadressen. Ook werden door zijn bemiddeling veel mensen, die tijdens de bezetting honger leden, geholpen met levensmiddelen. In 1943 werden onder zijn ogen de klokken uit de toren verwijderd voor de smeltkroes ten behoeve van de oorlogsindustrie.

In 1948 komt pastoor Antonius Gerardus de Boer, geboren op 5 juli 1896 te Grootebroek en tot priester gewijd op 29 mei 1920, in Pijnacker. Na diverse standplaatsen als kapelaan te hebben gehad wordt hij in 1940 pastoor in Egmond aan de Hoef en vanaf 30 april 1948 hier.

Onder zijn bestuur is een grote restauratie uitgevoerd aan de kerk. Reeds in 1956 verlaat hij Pijnacker en wordt pastoor in Velsen-Driehuis.

Nog vers in het geheugen ligt de persoon van pastoor Klaas Steur, die voordien leraar was aan het seminarie. Deze zeer geleerde man mochten de katholieken van Pijnacker slechts 2 jaar houden, waarna zijn benoeming tot pastoor te Scheveningen afkwam.

Inmiddels is pastoor Henricus Gerardus J. de Wijs in Pijnacker benoemd die tot aan de zomer van 1968 op beminnelijke wijze zijn taak als parochieherder heeft uitgevoerd. Tijdens zijn pastoraat wordt het 75-jarig bestaan gevierd van de tegenwoordige katholieke kerk aan de Oostlaan in 1967 .

Helaas is pastoor De Wijs op 3 juli 1968 door een beroerte getroffen, waardoor hij zijn werkzaamheden niet meer kon vervullen. Hij overleed aan zijn ziekte op 15 mei 1974 in Delft.

Op 21 december 1968 komt de nieuwe pastoor naar Pijnacker, Willem Oostveen.

Tenslotte dient nog vermeld te worden dat sedert de twintiger jaren vele kapelaans in Pijnacker bijzonder goede werkzaamheden hebben verricht, ter ondersteuning van de taak van de pastoors. In die jaren was namelijk het aantal parochianen zo toegenomen, dat de pastoors hun ambt niet meer alleen konden uitoefenen.

Voetnoten:

  • Koningsveld (‘Campus Regis’) bij Delft, Analecta Praemonstratensia dl. XI 1935 blz. 148170, dl. XII 1946 blz. 30-45.
  • De Kroniek van Johannes de Beka, dr. H.P. Coster, 1914.
  • Aantekenboekje van Willem Huygensz., pastoor te Berkel (Z.H.) 1633-1656, A.A. Krebbers en dr. Th.P. van Zijl.
  • Notulen Vicariaat Utrecht in Archief Oudbisschoppelijke Cleresij , Algemeen Rijksarchief Den Haag.
Een vicarie in de kerk van Pijnacker

Enige jaren geleden bij genealogisch onderzoek in de registers van het Hof van Holland stuitten wij op een proces, dat betrekking had op een vicarie, gevestigd op een altaar in de parochiekerk van Pijnacker. Dat moge op zichzelf niet bijzonder zijn; het is wel interessant. Niet alleen om genealogische, maar ook om historische redenen. Immers, het verschijnsel ‘vicarie’ heeft alles van doen met het middeleeuwse denken en dat verkrijgt in de laatste jaren veel aandacht.

Wat is een vicarie?

Broederschappen of gilden, maar ook afzonderlijke personen konden een (bij-) altaar stichten. De stichters moesten het altaar voorzien van al hetgeen nodig was voor de kerkdienst en de priester, die deze dienst waarnam. Indien de bisschop op verzoek dit alles goedkeurde, kreeg de stichter het recht van collatie en presentatie, d.w.z. hij mocht de priester (vicaris) voor het altaar aanwijzen en voordragen bij de bisschop. Zo ontstond een vicarie of kapelanie. De goederen uit de opbrengst waarvan de vicaris en de kosten van de eredienst werden betaald, werden door de bisschop geamortiseerd (tot kerkelijke goederen verklaard). Degene, op wie het begevings-recht (collatie- en presentatierecht) overging heette patroon/patrona, gifter/gifterse of collator/collatrice en was veelal de oudste en naaste in bloede van de stichter(s).

De oprichting van een vicarie werd begunstigd door het algemeen geloof, dat het misoffer alleen voor hen geldig was, die daartoe hadden bijgedragen. Vrome lieden stichtten een vicarie voor het heil hunner eigen ziel of voor die hunner bloedverwanten of andere personen.

Een andere overweging tot het stichten van een vicarie was, dat niets meer sieraad bijzette aan de godsdienstoefening dan een groot aantal priesters 1) 2).

In de parochiekerk van Pijnacker, de H. Joannes de Doper, (op de plaats van de tegenwoordige Nederlandse Hervormde kerk) was een vicarie gevestigd op het altaar van de H. Maagd Maria.

Als eerste priester (vicaris) vonden wij een Michael Dircksz., die in 1499/1500 werd opgevolgd door Bartholomeus Matheusz.

Deze vervulde dit ambt tot 7 oktober 1549 (1550), toen Frederick Jacobsz. als vicaris werd aangesteld. De laatste kreeg op 24 juli 1559 als opvolger: Johannes Gijsbertsz. Lap, die officieel op 1 augustus 1559 in het bezit werd gesteld van de vicarie 3) 4).

Uit de akte van 24 juli 1559 blijkt, dat de presentatie geschiedde door Cornelis Gijsbertsz. en de kerkmeesters van Pijnacker te weten Adriaen Dircksz. en Dirck Jansz. 3).  Welke rol speelde het Hof van Holland hierbij?

Na het overlijden van Heer Jan Gijsbrechtsz. Lap, de laatste bezitter of possesseur van de vicarie, vordert een zekere Cornelis Jacob Ghijssen de sedert augustus 1583 vervallen pacht van de vicariegoederen. Er volgt een procedure voor baljuw en mannen van Delfland. Cornelis verliest dit proces en gaat in hoger beroep bij het Hof van Holland.

Het Hof moet in feite beslissen of Cornelis Jacob Ghijssen zich ten rechte als patroon van de Pijnackerse vicarie mag beschouwen; op grond waarvan hij recht zou hebben op (de pacht van) de vicariegoederen.

Cornelis Jacob Ghijssen stelt daartoe het volgende. Eertijds was een zekere Cornelis Ghijssen patroon van de vicarie op het Vrouwenaltaar in de parochiekerk van Pijnacker. Die heeft een zoon nagelaten Jacob Cornelisz. Deze Jacob heeft twee zoons nagelaten: Pieter en Cornelis. Pieter als oudste heeft de vicarie geconfereerd op zijn broer Cornelis Jacob Ghijssen, eiser in dit proces. Deze collatie hebben de Heren Staten van Holland bevestigd.

De pachters, bij monde van de kerkmeesters van Pijnacker, stellen nu dat Cornelis Jacob Ghijssen geen recht heeft op die pacht. De kerkmeesters hebben hier natuurlijk belang bij, want die wensen deze vicarie-goederen als kerkelijke goederen aan te merken, waardoor de kerk de pacht zou kunnen incasseren.

De kerkmeesters ontkennen dan ook, dat Cornelis Ghijssen eertijds geweest zou zijn waarachtig patroon en collateur en dat hij de vicarie op iemand geconfereerd zou hebben.  Zij ontkennen voorts dat Cornelis Ghijssen of eiser alhier ‘van den bloede’ van de stichters van de vicarie zouden zijn. Dat overtuigt het Hof van Holland blijkbaar, want bij vonnis van 2 oktober 1586 wijst zij de vordering van eiser voorlopig af en stelt de kerkmeesters in het gelijk 5) 6).

Tot zover deze procedure, die kennelijk nog een vervolg had in de jaren rond 1590 7).

De vicariegoederen.

Blijkens de processtukken behoorden tot de vicarie de volgende onroerende goederen:

  1. 3 morgen 3 hont weiland naast het Pastoorsland tot Pijnacker, in 1584/4 gepacht door

R’ochus Glaesz.;

  1. 1 morgen land, waarvan de ligging aan de eisende partij niet bekend was, in 1583/4 gepacht door Adriaan Feysz., nazaat van Dirck Adriaensz. op te Lee;
  2. 2 morgen land in de Commandeurspolder (te Maasland), in 1583/4 gepacht door Jaspar van Egmont, commandeur.

Het volgende is met deze vicariegoederen gebeurd:

  • Het onder a. genoemd goed blijkt in werkelijkheid 3 morgen land in Schipluiden te betreffen. Uit een document van 31 oktober 1588 is af te leiden, dat dit land (als ware het hun eigendom) kort na 1574 is verkocht door de kerkmeesters van Pijnacker. De opbrengst is aangewend ter dekking van de kosten van de kerk wegens de oorlogsschade 8).
  • De kerkrekening kent sedert 1597 geen pachtopbrengst meer van het onder b. genoemde land op de Lee. De Heilige Geest van Pijnacker heeft land kennelijk in eigendom verworven, waarvoor zij 50 pond heeft geleend van de Kerk. Tot 1 november 1604 ontvangt de kerk een rente van 9 pond per jaar, waarna deze rentepost is vervallen 7).
  • Uit de kerkrekening van 1597 blijkt, dat een Dirck Cornelisz. de onder c. genoemde 2 morgen land te Maasland heeft gekocht. Hij is de koopprijs schuldig gebleven en betaalt hiervoor een rente van 18 gulden per jaar. Sedert 1 november 1616 betalen Pouwels Hubrechtsz. en Lenerdt Philipsz. te Maasland deze rente. Vanaf 1 november 1618 komt de rente alleen voor tekening van Pouwels Hu-brechtsz., die de hoofdsom ook in de loop van 1626 aflost 7).

En hiermee valt definitief het doek over de ‘Pijnackerse vicarie’.

Voetnoten:

  • Elburg en Doornspijk, dr. G. Westerink, blz . 65 en 66, Zutphen.
  • Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen I, dr. R.R. Post, blz. 321 en 322, Utrecht/Antwerpen, 1957.
  • Register op de Parochiën, Altaren, Vicarieën en de Bedienaars, P.M. Grijpink, 5e deel: Delflandis, blz. 175 en 176, Haarlem, 1934.
  • De Archieven  van  de Delftsche Statenkloosters, dr.  W.A.  Drossaers, blz. 31 en 106, ‘s-Gravenhage, 1916. In  casu:  Het Klooster Koningsveld,  inv.nr.  218,  registernr.  359 en  J60 ,  Algemeen Rijksarchief.
  • Hof van  Holland,  nr.  570,  sententienr.  277 d.d.  2 oktober 1586, Algemeen  Rijksarchief.

Enige doorgehaalde  zinnen in de sententie bevatten nog namen van  vroegere patroons: Heynrick Symonsz., Jan Bartolomeeusz,, Appolonius  Duesz.

  • Verschillende Geslachten Lap, L. P. Lap en P.J. Ritsema, Gens Nostra, blz. 192-197, 1961 .

Archiefsprokkels uit Naarden,  P.L. Thierens, De Nederlandsche Leeuw, kol. 228, 1910.

  • Kerkrekeningen, Archief Nederlandse Hervormde Kerk Pijnacker. Met dank aan de heer A.A. Krebbers te Pijnacker.
  • Geestelijk Kantoor no. 1, Rentmeestersrekeningen no. 592, Algemeen Rijksarchief, 3e afdeling.

 

125 jaar geschiedenis van de Hervormde Kerk in Pijnacker

1574 -1699

Uit oude documenten, gedeeltelijk behorende tot het kerkarchief in Pijnacker, gedeeltelijk zich elders bevindende, kunnen we heel wat te weten komen over verlopen tijden. Alleen: hoe vroeger we komen, hoe schaarser documenten worden. Bovendien is het vaak moeilijk oude documenten te lezen: zij zijn vaak in een schrift gesteld, dat wij niet meer kennen.

Het leek interessant uit de beschikbare documenten eens een beknopt beeld op te bouwen van het reilen en zeilen van onze Hervormde Kerk in Pijnacker over de eerste tijd. We kozen hiervoor een periode van 125 jaren: op bepaalde gronden stellen we, dat de reformatie in Pijnacker eerst in het jaar 1574 gestalte zal hebben kunnen krijgen, terwijl de daarachter volgende 125 jaar een periode kent van aanpassing aan de nieuwe situatie, gepaard gaande met een welvaartsperiode in de Gouden Eeuw, waarin veel gedaan kon worden aan de verfraaiing van de kerkelijke bezittingen, en aan het einde van de 17e eeuw een afzakken van de economische toestand naar een heel wat minder florissant tijdperk.

Naar ons gevoel dient de 18e eeuw, dus de periode vanaf ca. 1700, duidelijk onderscheiden te worden van de voorgaande periode, gezien de ontwikkelingen in die eeuw, zowel op economisch als godsdienstig gebied, de groei naar een Franse Revolutie als culminatiepunt van een aan vernieuwing toe zijnde westerse wereld.

Waarom beginnen wij met het jaartal 1574?

In menig boekwerk komen wij als datum van de werkelijke start van de Reformatie het jaar 1572 tegen. Waarom dan voor Pijnacker een ander jaar?

De gevolgen van de beeldenstorm, die ook woedde in Delft in het jaar 1566, zullen ongetwijfeld ook in Pijnacker gevoeld zijn, hoewel nergens te vinden is, dat de vernielingen en plunderingen en andere wandaden zich uitgestrekt zullen hebben tot onze dorpskerk. Per saldo was een eenvoudige dorpskerk niet zo goed voorzien van kostbaarheden als de grote kerken in de steden. De interesse van de beeldenstormers zal dan ook wel niet gewekt zijn voor een kleine kerk met wellicht niet meer dan twee altaren, zonder rijkdommen en bovendien in het achterland gelegen te midden van een bevolking, die dergelijke lieden ongetwijfeld weinig kon waarderen.

De pastoor van het dorp, volgens een document gedateerd 31 oktober 1588 zou dat een zekere Allart van Lienden geweest zijn, meende om de een of andere reden zijn post te moeten verlaten. Zo omstreeks 1566/1567 is hij vertrokken met medenemen van alle papieren, die de kerk aangingen. Dat waren naast doop- en trouwregisters ook papieren betreffende landbezit, verhuurcedulen, overeenkomsten betreffende smal- en los-renten e.d. Na de officiële omwenteling op politiek en godsdienstig gebied in 1572 schreef de schout van Pijnacker weliswaar een brief aan de Prins van Oranje, residerende in Delft, met het verzoek de pastoor te gelasten de betrokken papieren terug te geven, waarop de Prins welwillend besliste op 15 november 1572. Maar de komende gebeurtenissen zullen hem niet in staat gesteld hebben verdere maatregelen te nemen.

De interesse van de bevolking van Pijnacker voor de omwenteling op godsdienstig gebied zal vast en zeker getemperd zijn geweest door de vijandelijkheden en oorlogsdreigingen van de Spaanse troepen. Het optrekken van deze benden tegen Leiden ging via onze streken. Het beleg van Leiden werd begonnen in 1574: de aanvoer van troepen, zowel van Spaanse origine alsook die uit het Prinselijk leger voerde door onze gebieden. Toen de situatie dusdanig nijpend werd voor Leiden, dat de Prins van Oranje de beslissing nam de sluizen open te zetten, teneinde het land te inunderen, was de maat helemaal vol. Het gebied ten oosten van de Schie en Delft, waaronder Delfgauw en Pijnacker, kwamen onder water te staan. De bevolking vluchtte, gedeeltelijk naar Delft, en wellicht ook naar andere droog gebleven gebieden in de omgeving. We kunnen echter wel veronderstellen, dat een gedeelte van de boerenbevolking hun have en vee niet zonder meer in de steek gelaten zal hebben. Juist op de hoger gelegen woonplaatsen kunnen we ons dat voorstellen. Doordat de Spaanse en Prinselijke troepen zich bedienden van platboomde vaartuigen en een soort ‘zeeslagen’ zich op het ondergelopen land afspeelden, kunnen we aannemen, dat menig inwoner van

Pijnacker, die zijn heil niet elders gezocht had, het slachtoffer geworden is van krijgshandelingen, moorden en plunderingen. Gelukkig werd na ongeveer 5 maanden het beleg van Leiden opgeheven. Begin oktober 1574 waren de Spaanse t roepen uit deze contreien verdwenen. Kennelijk zijn er maatregelen genomen door het Hoogheemraad-schap van Delfland om het ondergelopen gebied zo snel moge-lijk te ontwateren. De gevluchte bevolking zal gedeeltelijk weer teruggekomen zijn; opengevallen plaatsen door overlijden of anderszins zullen opgevuld zijn door anderen.

De ruïne was echter heel groot: niet voor niets geven de Staten van Holland vrijdom van belasting voor de tijd van 5 jaren aan de inwoners van het ondergelopen gebied.

En dan begint voor Pijnacker eigenlijk een nieuwe tijd. Was men vóór die tijd nog gebonden aan de oude kerkorde, een intact gebleven kerkgebouw, eeuwenoude tradities, die van geslacht op geslacht waren overgegaan, een mentaliteit van ‘de kat uit de boom kijken’, nu werd men geconfronteerd met een heleboel factoren, die radicale veranderingen niet meer in de weg stonden. Toch ging de overgang nog langzaam, zoals zal blijken uit het verdere verhaal.

En dan gaat het niet over verandering van denkwijze, theologische disputen, tolerantie en dergelijke aangelegenheden, doch gewoon: aanpassing aan een nieuwe leefwereld.

De bewoners van Pijnacker hadden volgens de brief van de schout aan Prins Willem van Oranje in 1572 het advies gekregen van een zekere Petrus Dathenus een waardige opvolger voor de pastoor te zoeken. Maar, zei men, waarvan moeten we dat betalen? We weten niet eens waar de inkomsten vandaan moeten komen, want de pastoor heeft de informatie meegenomen. Eerst moest maar eens orde op zaken gesteld worden, voor men daaraan kon beginnen. Zo erg hard scheen men niet te willen lopen. Ongetwijfeld zal uit de omgeving, vermoedelijk wel Delft, geestelijke bijstand in Pijnacker verleend zijn geweest vanaf het moment, dat de pastoor vertrok.

Na de inundatie, de bevrijding van Holland van de Spaanse overheersing, de ervaring van de vluchtelingen in de steden, de komst van nieuwe bewoners, wordt de situatie heel anders.  Zij komen in een dorp terecht, dat er heel anders uitziet dan vroeger. De kerk, het centrale punt, heeft behoorlijk van de oorlogstoestand te lijden gehad. Het dak van de kerk is kennelijk ingestort en de rest van het gebouw zwaar beschadigd.

De pastorie schijnt geheel verdwenen te zijn. Het Vicarie- of Gildehuis heeft zwaar geleden.  Men hoeft zich niet af te vragen, hoe de andere gebouwen van Pijnacker er uitgezien zullen hebben. De molens, die de Pijnackerse polders moeten bemalen, en gelegen waren aan Overgauw en Rijskade, waren afgebrand. Alles moest als het ware opnieuw gebouwd worden.  Het klimaat was nu gunstig voor een andere opvatting, een andere houding: een periode was afgesloten en een nieuwe tijd brak aan.

De nieuwe tijd zou een harde tijd worden. Veel moest er nog geregeld worden in Holland, niet alleen op religieus gebied, maar ook op bestuurlijk terrein. Dat had ook zijn weerslag op ons Pijnackerse gebied.

Vanouds waren Schout en Gezworenen de wereldlijke bestuurders van het Ambacht. De kerkelijke zaken hadden altijd geressorteerd onder de pastoor en zijn geestelijke superieuren. Heilige Geestarmenzorg, beheer van kerkelijke goederen e.d. waren terreinen, waarmede de overheid zich niet bemoeide.

Nu gaan we over naar een tijd, waarin de kerkelijke zaken onderdeel gaan uitmaken van de wereldlijke beheersactiviteiten.

Veel kerkelijke bezittingen vervallen nu aan de gemeenschap. In Delft zien we, dat de wereldlijke overheden de balans gaan opmaken.

Bezittingen van de Heilige Geestarmenzorg, in Delft, worden opnieuw ge1nventariseerd. Wellicht zijn de oude stukken in de troebelen van de beeldenstorm verloren gegaan. In de periode van 1576 tot 1579 zien we Jan Jansz. Potter, een landmeter in Delft, door de landerijen van Pijnacker wandelen en zijn opmetingen doen. De resultaten zijn nog te zien in de Atlas van de H. Geestlanden, die berust bij het Gemeentearchief te Delft. Hieruit blijkt ook, dat reeds in 1576 het land geheel droog geweest moet zijn en weer bewoond werd: de gebruikers van landen, boerderijen, namen van hun bewoners en dergelijke bijzonderheden staan erop vermeld.

In Pijnacker blijkt de gemeenschap dus weer snel op gang gekomen te zijn. Het traditionele bestuursapparaat, schout en gezworenen, moeten daartoe functioneren.

En wat zien we dan: er wordt beslist, dat er geld op tafel moet komen om kerk en gildehuis te repareren. Immers een dorp zonder geestelijk centrum is ondenkbaar.

De deplorabele staat, waarin de kerkelijke gebouwen zich bevinden, noodzaakt tot drastische maatregelen: we verkopen land uit het kerkelijk bezit om aan de nodige middelen te komen.  Men neemt Vicarie-land, dat niet in Pijnacker ligt: 3 morgen land in Schipluiden, worden voor 450 gulden verkocht aan Rocus Claesz.

Dat is een flinke post en in die tijd werkelijk een kapitaal.

Daarnaast gaat men eens inventariseren, wat de overige vicarielanden kunnen opbrengen.  Inkomsten zijn er natuurlijk ook van de Kerkelanden en het grondbezit van de H. Geestarmen, die in Pijnacker gelegen zijn. Hoewel de registers hierover verdwenen zijn in de bagage van de laatste pastoor, weet men toch wel zo ongeveer, hoe een en ander in elkaar steekt.

Naarmate het boerenbedrijf in Pijnacker weer op gang komt, komt ook de stroom van inkomsten weer op gang. Het is wel duidelijk, dat de eerste tijd zich nogal wat moeilijkheden op financieel gebied hebben voorgedaan. Land wat niet bruikbaar is, kan slecht belast worden. Grote reparaties kosten veel geld. Een beroep op de H. Geestarmenzorg zal eerder gedaan zijn dan vroeger: veel mensen zullen in grote financiële nood geweest zijn door het verlies van oogsten en veestapels.

Het college van Kerkmeesters blijkt echter te werken aan de herstructurering van het leven in onze buurt. Het lijkt erop, alsof de onafhankelijke positie van de Kerk van vóór 1572 nog wat gehandhaafd blijft.

De wereldlijke overheid, in de positie van de schout, levert nl. voor het eerst een kerkrekening op in 1587. In tegenstelling tot de latere kerkrekeningen, die door de kerkmeesters als vertegenwoordigers van het centrale bestuursapparaat worden opgeleverd aan de schout en gezworenen, eventueel in aanwezigheid van de vigerende predikant, levert de schout in 1587 zijn verantwoording over aan de predikant, gezworenen, kerkmeesters.

Deze eerste rekening beloopt een periode van 1574 tot 13 maart 1587. Uit het aantal posten, dat erin vermeld staat, alsmede de aard hiervan, blijkt, dat de schout met zijn kas voor de wereldlijke beslommeringen van het Ambacht van Pijnacker in de loop van de jaren heeft bijgesprongen, wanneer het moeilijk werd voor de kerkmeesters.

Hij blijkt eens een keer 22 gulden te betalen als honorarium voor een predikant, rekeningen voor reparaties aan kerk, toren, pastorie e.d. voor zijn rekening te nemen, juridische bijstand van advocaten in Den Haag en renten te betalen e.d.

Daartegenover heeft hij in de loop van de jaren bepaalde baten, die de kerk toekwamen, in mindering van zijn vorderingen geboekt. Hij zal ze dus wel, ongetwijfeld in overleg met de kerkmeesters, zelf ontvangen hebben.

Uiteindelijk levert deze eerste kerkrekening, of beter gezegd: de financiële verantwoording van de hulp van het Ambacht van Pijnacker aan de Kerk van Pijnacker, een te vorderen saldo van 143 gulden 12 1/2 stuiver op voor de schout.

De volgende kerkrekeningen vertonen een ander beeld: het zijn de verantwoordingen van twee kerkmeesters, aangesteld door de wereldlijke overheid, gezworenen van het Ambacht van Pijnacker, over de inkomsten en uitgaven van de kerk over een bepaalde periode. Meestal betreft het een periode van ca. 12 maanden.

De eerste kerkrekening van Pijnacker geeft ons, ondanks het feit, dat slechts incidentele feiten over een periode van ruim 12 jaar zijn genoteerd, toch een heel aardig inzicht in de Pijnackerse situatie van die periode. Allereerst blijkt, dat men zeer kort na de

overstromingsramp (inundatie tegen Spanjaarden in 1574) geestelijke hulp van een predikant heeft gekregen. De eerste post van de rekening betreft nl. de betaling van 22 gulden aan Meester Frans, predikant te Pijnacker, die door de kerkmeesters en de gemeente aangenomen was. Het is een restbetaling. Vroeger honorarium zal door de kerkmeesters betaald geweest zijn.

Het betekent, dat assistentie door R.K. geestelijken, b.v. uit Delft, na 1574 niet meer gewenst is door de bevolking van Pijnacker, en dat men een leraar uit reformatorische bronnen heeft aangetrokken.

Uit latere gegevens blijkt inderdaad, dat het grootste gedeelte van de Pijnackerse bevolking de nieuwe religie aanhing. Slechts weinige families blijven trouw aan de oude moederkerk. Van Meester Frans weten we helaas niets. We moeten alleen concluderen, dat hij hier enige tijd de gemeente geleid zal hebben. Gezien de plaatsing van de betaalpost in het eerste begin van de rekening mag wellicht worden aangenomen, dat zijn ambtstermijn kort na 1574 is begonnen.

Wij zagen al, dat de kerkmeesters een stuk land van 3 morgen in Schipluiden hadden verkocht, om geld te krijgen voor het opknappen van kerk en gildehuis. De kerkrekening van de schout laat zien, dat er snel aangepakt werd.

Op 10 september 1575, dus binnen een jaar na de opheffing van het beleg van Leiden en royaal binnen het jaar, dat de mensen weer naar Pijnacker konden komen, betaalt de schout een rekening voor reparatie van het pastoorshuis door de timmerman, alsmede voor het maken van een bank in de kerk. De kerk moet dus weer in gebruik zijn op dat tijdstip. Op 10 november 1576 wordt Adriaen Jacobsz., koster en schoolmeester van Pijnacker, betaald voor zijn diensten aan de kerk. Gezien het betaalde bedrag, lijkt het, dat het over een periode van ca. 5 maanden gaat, dus over de periode van ca. 1 juni 1576 tot 1 november 1576. Dan is er nog een betaling van 53 gulden voor reparatie van het Gildehuis, dat tot school moest gaan dienen en mogelijk tot woning van de predikant. Tevens was hieronder begrepen een bedrag voor het leveren van schoolbanken. Aparte bedragen worden verantwoord voor reparatie van het rieten dak en de ruiten in dat gebouw.

Het betalen van 1 gulden voor het slechten van schansen, die voor de kerkdeuren waren gedolven, kennelijk om het water buiten te houden, geeft aan, dat de situatie steeds meer genormaliseerd gaat worden. Ook het feit, dat door kerkmeesters en gehele gemeente wordt besloten een “clock met een horloge”

voor de kerk aan te schaffen, waarmede een bedrag van zo’n 200 gulden gemoeid blijkt te zijn, toont aan, dat men er bovenop begint te komen en dat het kerkelijk leven de centrale plaats in de gemeenschap weer begint in te nemen.

Inmiddels schijnt men er toch in geslaagd te zijn, zonder de medewerking van de laatste pastoor, een opzet te maken van de eigendommen, die aan kerk, H. Geestarmen, Vicarie en Pastorie hebben toebehoord.

Er is genoegzaam bekend, welke stukken land in het Ambacht van Pijnacker hiertoe behoren, en de pachters gaan hun pachtsommen aan de kerkmeesters afdragen. De renten op geldleningen, vaak daterend van ver vóór de reformatie, blijken eveneens bekend te zijn: zij worden in de toekomst eveneens afgedragen aan de kerkmeesters.

De vaste inkomsten van de Kerk blijken dan wel gewaarborgd te zijn. Op 26 april 1588 blijkt men over het afgelopen jaar al een klein batig saldo te hebben.

Na de eindafrekening met Mr. Frank, de eerst bekende predikant van Pijnacker, zal men ongetwijfeld getracht hebben snel een opvolger voor hem te vinden.

Daar slaagde men dan ook in: de keus viel op een zekere Abraham Jansz. Hij zal ongeveer in 1580 beroepen zijn. Zijn vorige standplaats blijkt Vlaardingen te zijn geweest. Zijn gedrag op de banken van de herberg, de door hem gebruikte taal, kortom zijn gehele gedrag, alsmede het feit, dat hij gedurende zijn ambtstermijn geen enkele maal het Heilig Avondmaal heeft gehouden, doen in 1583 de maat overlopen. Bij de Classis worden klachten ingediend, die er toe lijden, dat, hangende een gedegen onderzoek, de betrokkene geschorst wordt.

Vlaardingen is kennelijk ook getipt, en benadert de Classis Delft om de persoon Abraham Jansz. toe te lichten. Uiteindelijk leidt het proces ertoe, dat Abraham Jansz. moet vertrekken. Hij krijgt zijn honorarium tot en met maart 1583 betaald.

En dan moet er nodig uitgekeken worden naar een nieuwe predikant, die een betere reputatie dient te hebben dan zijn voorganger. Men staagde erin de predikant van Saarloos/Charlois, tegenwoordig een wijk van Rotterdam-Zuid, te beroepen. Het was Anthonius Cornelisz. Hij moet zijn ambt aanvaard hebben omstreeks 1 juni 1583. Het is een goede keus gebleken: hoewel hij in 1594 aan de Classis in Delft te kennen geeft, dat hij nu eindelijk wel eens een andere standplaats zou willen hebben, blijft hij na een gesprek met vertegenwoordigers van de Classis, collega’s van hem, toch in Pijnacker. Zijn gezondheid gaat hem echter in de steek laten: vanaf 1599 moet hij zich regelmatig ziek melden bij Classisvergaderingen. Op 26 oktober 1602 overlijdt hij in Pijnacker, oud 57 jaar en 9 maanden na een ambtsperiode in Pijnacker van 19 jaren en 5 maanden.

Zijn vrouw, Maritgen Starcks van den Bosch, stierf kort voor hem op 17 september 1602. De grafzerk voor hen beiden ligt nog in de vloer van de kerk in Pijnacker.

Deze predikant komt uit de stukken over als een dorpspredikant, die, omringd door illustere collegae strijdend over theologische en moralistische vraagstukken, een dorpsgemeenschap na jaren narigheid en drie jaren ergernis over een zich onbetamelijk gedragende voorganger, de rust geeft zich geleidelijk te ontwikkelen in de overgang van de oude kerkorde van vóór 1572 naar de nieuwe van ná die datum. Zijn problemen blijken meer van praktische, dan van theoretische aard te zijn. Hij wordt door de Classis na een visitatie aangemaand de Diaconie meer te doen zijn dan een formaliteit. Hij wordt geacht te bemiddelen in ruzies tussen gemeenteleden, zorgen, dat pais en vree gehandhaafd blijven in zijn gemeente; hij wordt van hogerhand erop geattendeerd, dat het niet gewenst is een zelfmoordenaar in de kerk te begraven , hoewel het een bekend gemeentelid is en de gemeente zelf geen protest laat horen.

En wat te doen ingeval de Gemeente, gewend geweest aan de Requiems uit de oude Kerk, de begrafenissen vergezeld wil doen gaan met een woorddienst, de z.g. ‘lijkpredicatie’? Voor menig geleerde een theologisch probleem, is het voor de dorpsbewoner en gewone gelovige waarschijnlijk veel meer een gevoelskwestie. Anthonius Cornelisz. werd geassisteerd door 2 ouderlingen, 2 diakenen en een koster. De ouderlingen en diakenen behoorden volgens de regels te wisselen om de twee jaren. De kosters, annex schoolmeester, voorzanger en voorlezer, werden in dienst genomen. We hebben al gezien, dat Adriaen Jacobsz. koster/ schoolmeester was vanaf ongeveer 1 juni 1576. Op 2 februari 1590 blijkt Pieter Boogaert die functie te vervullen. Op 1 mei 1598 wordt de functie weer vervult door Adriaen Jacobsz. Er is niet na te gaan, of deze identiek is met de koster, die reeds in 1576 zijn diensten verleende.

Hoe het met de kerk gesteld is, nadat deze weer opgeknapt was en voorzien werd van een nieuw dak, laat zich raden. Het is wel zeker, dat de beide altaren verwijderd werden, evenals aan de katholieke eredienst toegeschreven objecten, zoals beelden e.d. Het oude priesterkoor blijft in gebruik als voorname begraafplaats: vanouds is dit de belangrijkste plek in de kerk en aldaar worden dan ook rijke en voorname mensen begraven. Het aantal eigen graven is daar erg groot. In de kerk wordt ook begraven, maar dan voornamelijk in kerk graven.  De kerk wordt wel meer en meer aangepast aan de Woorddienst, zoals deze in zwang gaat komen. In het jaar 1590 laat men de timmerman Frans Jacobsz. een lange bank maken, die voor het koor van de kerk wordt geplaatst. Kennelijk als afsluiting. In de periode van half 1595 tot juni 1596 maakt Mathijs Cornelisz., timmerman, borden en plaatst deze in de kerk. De koster Pieter Boogaert krijgt betaald voor het beschrijven van deze borden. In het jaar 1601 wordt er een ‘verhemelte’ over de preekstoel gemaakt. En de orde onder de dienst wordt ook bevorderd door het aanstellen van een betaalde kracht om de honden uit de kerk te slaan tijdens de predicatie-tijden. In het jaar 1602 wordt er zowaar een nieuwe preekstoel met balustrade gemaakt en geplaatst. Kennelijk wordt deze nieuwe kansel geplaatst recht voor de ingang van het koor: er is in de kerk een nieuw schutsel of schot geplaatst. Dat zal ongetwijfeld een afscherming van het koor van de rest van de kerk geweest zijn. Waren de laatste kerkrekeningen vrij gunstig voor de kerk geweest met een batig saldo, de laatste rekening vertoont uiteraard een grotere uitgave dan inkomsten.

Na het overlijden van Ds. Anthonius Cornelisz. in oktober 1602 moest weer uitgezien worden naar een nieuwe herder voor de Gemeente.

Men laat het oog vallen op een zekere Hendrik Jansz., predikant in Assendelft. De twee ouderlingen van Pijnacker, Cornelis Sybrantsz. en Arien Jacobsz., vervoegen zich op 7 januari 1603 bij de Classisvergadering in Delft, en verzoeken toestemming deze kandidaat te mogen beroepen. De toestemming wordt gegeven, en in de loop van 1603 komt hij de predikantsplaats vervullen. Hendrik Jansz. was geboortig uit Gulik, 36 jaar oud bij zijn komst. Of hij reeds getrouwd was, en wie zijn vrouw was, is niet bekend. In ieder geval blijft hij hier in

Pijnacker gedurende ongeveer 38 jaar: in het jaar 1640 ging hij met emeritaat, om 3 jaar later te overlijden. Onder zijn bewind werd op 1 januari 1612 een nieuw doopboek begonnen, dat thans het oudste doopboek van Pijnacker is. Hij schrijft zelf de doop van een kind van hemzelf in op 18 oktober 1615, zonder echter de naam van het kind te vermelden. Hetzelfde gebeurt door hem op 25 maart 1619: het is dan een zoon Jacob. Het eerste kind is vermoedelijk Pieter, die later als predikant zijn vader in Pijnacker opvolgt. Zoon Jacob wordt ook predikant en komt terecht in Stolwijk. Zonder enig aanwijsbare reden heeft de nieuwe predikant het inschrijven van dopelingen in het nieuwe doopboek over de periode van 18 oktober 1615 tot 6 mei 1618 nagelaten. Daarna gaat hij echter weer ertoe over de doopjes in de kerk van Pijnacker te noteren. Niet allemaal even secuur: soms worden namen weggelaten of foutief genoteerd, soms kloppen data niet helemaal, maar over het algemeen valt er goed uit te komen. Tijdens zijn ambtsperiode valt het wel op, dat er nogal wat mutaties zijn bij de vervulling van het kosters-/schoolmeesters-ambt. Bij zijn bevestiging in 1603 was Adriaen Jacobsz. nog koster/ schoolmeester. Hij blijft tot 1 mei 1610 in dienst.

Daarna wordt zijn functie overgenomen door Mathijs Pietersz. Op 2 februari 1614 blijkt hij opgevolgd te zijn door Michiel Heyndericksz. Op 5 mei 1618 wordt deze weer opgevolgd door Daniël Huygensz. de Grans; deze op zijn beurt wordt vervangen door weer een Mathijs Pietersz., vermoedelijk in september 1622.

Op 3 januari 1627 wordt deze opgevolgd door Cornelis Huygensz. Glos. Deze houdt het niet langer uit dan tot 3 juli 1630.

Zijn opvolger wordt Gillis Thomasz. Tant. Hij is eindelijk een blijvertje: zijn dienst aan de Kerk wordt pas na ruim 18 jaren, op 1 november 1648, beëindigd. In die 18 jaar vestigt hij zich hier definitief: uit zijn eerste huwelijk met Jannetje Jans krijgt hij 4 kinderen, die in Pijnacker gedoopt worden. Zijn vrouw sterft in 1634, vermoedelijk in het kraambed, en wordt in Pijnacker begraven. Zijn tweede huwelijk met Lydia Kestemans zorgt ervoor, dat er nog 5 kinderen uit dit huwelijk gedoopt worden. Op 19 april 1644 koopt hij een huisje in het dorp, waar de familie gaat wonen.

We weten niet, wanneer hij precies overleden is, maar het moet geweest zijn vóór 8 mei 1654. In 1660 zijn nog 4 van zijn 9 kinderen in leven.

Het is niet bekend, wat de reden is van het grote aantal kosters, dat door ds. Hendrik Jansz. versleten is. Was het een lastige baas, of zagen de kosters/schoolmeesters de standplaats Pijnacker niet als zo heel erg aantrekkelijk?

De periode, waarin Hendrick Jansz. de predikantsplaats in Pijnacker bezette, viel samen met een opbloei van de economie in onze gewesten. De ontwikkeling van de Zeven Provinciën tot een welvarende natie vindt ook zijn weerslag in de financiële staat van de Kerk in Pijnacker. Na een lange periode de touwtjes aaneenknopen komt er nu wat meer ruimte in de financiële middelen. De welvaart in de maatschappij zorgt ervoor, dat de inkomsten wat beter worden. Er blijft jaarlijks wat meer over en dat geld wordt deugdelijk tegen rente uitgezet. Aan onderhoud van kerk en pastorie wordt eveneens flink wat geld besteed.

Hendrick Jansz. gaat ook met zijn tijd mee: zoals zoveel collega’s gaat hij ertoe over zijn naam te ver-latiniseren: hij noemt zich op een gegeven moment Henricus Johannis.

Dat ook de dorpsbevolking betrokken was bij het lang niet altijd op vredige wijze vergroten van de zelfstandigheid van onze gewesten en de welvaart, blijkt uit het feit, dat in 1639 door de kerkmeesters een bedrag wordt opgevoerd voor het halen van bier voor de klokkenluiders, in verband met het victorie-luiden wegens het verslaan van de grote Spaanse vloot door Maerten Harpertsz. Tromp.

Toen Henricus Johannis in 1640 de wens te kennen gaf met emeritaat te willen gaan, hij had inmiddels een leeftijd van ca. 74 jaar bereikt, zat men prompt voor de vraag, wie men nu weer zou moeten beroepen.

De ervaring met Henricus was echter kennelijk zodanig, dat men prefereerde zijn zoon Petrus, een in Pijnacker geboren en gedoopt kind, zoals hiervoor reeds betoogd, te vragen zijn vader op te volgen. Hij was klaar met zijn theologische studies en stond als kandidaat te boek.

Petrus voerde, evenals zijn broer Jacob, de familienaam Proëlius.

Henricus Johannis genoot slechts 3 jaar van zijn emeritaat: hij overleed reeds in 1643.

Het lijkt erop, dat de eerste belangrijke daad van Petrus Proëlius was een nieuwe bijbel voor de Kerk aan te schaffen. In die tijd was de nieuwe Bijbelvertaling , waarover tientallen jaren gestudeerd en gediscussieerd was, van belang. De rechtzinnigheid in de Leer hing hier ten dele ook van af. De Bijbel werd gekocht bij een Delftse boekbinder, Jan Pietersz. Waelpoth, voor het toentertijd belangrijke bedrag van negentien en een halve gulden. Tijdens de ambtsperiode van Petrus Proëlius werd een geheel nieuwe ambtswoning gebouwd op de plaats waar tegenwoordig de pastorie staat. De oude woning, waar Petrus geboren en opgegroeid was, zal ongetwijfeld niet meer hebben voldaan aan de eisen van het midden van de welvarende Gouden Eeuw. Men kan bovendien aannemen, dat de ontwikkeling van de positie van de geestelijke op het dorp van de eenvoudige dorpspastoor via de pioniers onder de predikanten naar de universitair geschoolde leiders van de Gemeente, eisen stelde aan de huisvesting en behandeling van deze notabelen door de gemeenteleden. En laten we het prestigestandpunt bij een welvarende bevolking ook niet uitvlakken. Het huis werd voltooid in het jaar 1646. Ongetwijfeld zal het heel wat luxe hebben meegekregen, die opgedaan was tijdens het verblijf in de stad waar Petrus gestudeerd had. Zo werd de schoorsteenmantel in de zaal van het predikantshuis beschilderd door Willem van Odekerken, een in die tijd in Delft werkende decoratieschilder. Het is vanzelfsprekend, dat een dergelijke uitgave de spaarpot van de kerkmeesters behoorlijk leeg maakt. De bouwrekening van 7 mei 1646 geeft een bedrag aan van ruim 1500 gulden. Gelukkig was het overschot van de kerkrekening per 7 februari 1646 bijna 1490 gulden groot, zodat de financiering aardig rond kwam. Maar de bodem van de pot was toch weer zichtbaar: we moeten weer zuinig worden. In de loop van 1647 wordt Ds. Petrus Proëlius beroepen naar Gouda. Hij heeft niet lang in zijn nieuwe woning gewoond.

Hij wordt opgevolgd door Henricus Rijndijck, een Delftenaar, geboren in 1628, die in 1648 in functie komt. Hij blijft hier tot 1657, wanneer hij naar Oudewater vertrekt. Onder zijn bewind wordt Gillis Thomasz. Tant als koster/schoolmeester vervangen door Jan Pietersz. Deze Jan Pietersz. is vermoedelijk een autodidact: hij is een Pijnackenaar, zoon van Pieter Willemsz. en Geertgen Tijssen. Hij moet omstreeks 1605 geboren zijn en werd rietdekker, evenals zijn vader. Hij had een broer Maerten, die eveneens rietdekker was en zich later Maerten Pietersz. Hogervorst noemt, alsmede een zuster Annetge, die getrouwd was met Maerten Gorisz., de linnenwever van Pijnacker.

Jan Pietersz. zal omstreeks 1628 getrouwd zijn met Marytgen Eeuwouts, uit welk huwelijk een zoon Ewout geboren wordt. Deze wordt op 2 december 1629 in de kerk van Pijnacker gedoopt. Marytgen is kennelijk kort daarop gestorven, want in 1631 blijkt hij getrouwd te zijn met Maertgen Gerrits. In dat jaar op 9 november laat hij nl. hun kind Machtelt dopen. Op 16 no-vember 1636 volgt dan nog de doop van Pieter en op 17 janua-ri 1644 de doop van Matijs. Uit de kerkrekeningen blijkt, dat Jan Pietersz. in zijn functie als rietdekker regelmatig werk verricht voor de Kerk van Pijn-acker, met name voor reparaties aan het rieten dak van de oude pastorie. Na zijn benoeming tot koster/schoolmeester zien we hem nog steeds werkzaamheden verrichten op het gebied van het repareren van rieten daken. Zijn nieuwe functie schijnt niet alleen hemzelf te bevallen, maar ook de gemeenteleden: hij blijft tot 1 november 1674: een periode van 26 jaar.

De economische positie onder het bewind van Ds. Rijndijck is niet slecht: men houdt weer wat over en bouwt weer een reserve op. Langzaam maar zeker, met Hollandse zuinigheid. In 1657 wordt Ds. Henricus Rijndijck beroepen naar Oudewater.

Men staat dan weer voor het probleem een nieuwe, geschikte predikant te vinden. De Kerkeraad kijkt eerst nog eens na, hoe dat bij vorige beroepen gegaan is, teneinde geen fouten in de procedure te maken, en kiezen dan uit de beschikbare kandidaten een zestal, dat maar eens moet komen proefpreken. Niet alleen dat men stelt, dat de predikant zuiver in de leer en van onberispelijke levenswandel moet zijn, hij moet ook nog beschikken over het vermogen om met een behoorlijke stem zijn gelovigen in een grote holle ruimte te bereiken.  Versterker-installaties kende men toen nog niet. Na rijp beraad wordt op 23 januari 1658 besloten Petrus van Poot, in 1634 in Amsterdam geboren, te benoemen. Op 4 februari d.a.v. zijn alle formaliteiten vervuld en kort daarop komt de nieuwe predikant op de pastorie van Pijnacker wonen. Het eerste vernieuwende, wat deze predikant doet, is een nieuwe Bijbel aanschaffen! Dat gebeurt in het jaar 1659. Hij laat bovendien in de pastorie een studeerkamer verbouwen en vernieuwen. In het jaar 1665 wordt er een actie opgezet om de kerk te verfraaien met een koperen kaarsenkroon. Het geld wordt door welgestelde gemeenteleden, voornamelijk rijke boeren en notabelen, bijeengebracht. De kroon wordt gekocht bij Gillis Wijbrantsz. in Amsterdam, naar Pijnacker vervoerd, pasklaar gemaakt en in de kerk opgehangen. Tot op de dag van heden hangt deze er nog.

In het jaar 1667 besluit men de kerk eens een flinke opknapbeurt te geven. Door het begraven in de kerk zelf is de vloer aardig aan het verzakken, zijn plavuizen gescheurd, moeten zerken opgeknapt worden e.d. Het dak van de kerk, hoewel regelmatig door de leidekkers onderhouden, begint zo langzamerhand wel aan vernieuwing toe te raken. Het is bijna 100 jaar oud. De kosten hiervoor bedragen ongeveer 2800 gulden, maar dan kunnen we er minstens 100 jaar weer mee vooruit, behoudens de geregelde onderhoudsbeurten. Met de vloer van de kerk is minder geld gemoeid. Men schaft een grote partij plavuizen aan en gaat de vloeren ophogen, egaliseren en voorzien van nieuwe tegels. Hiermede was een bedrag van ongeveer 320 gulden gemoeid. Maar het koor, waarin de gegoede families hun eigen graven hadden, diende opgeknapt te worden voor rekening van de eigenaren van die graven. Zij krijgen dan ook een vast bedrag per graf te betalen. Dat levert de kerk een bedrag van 195 gulden en 5 stuivers op, hetwelk de kosten van het totale karwei drukte. Hoewel de spaarpot van de kerkmeesters door de batige saldi van de laatste jaren aardig groot was geworden, kwam men toch nog een heel kapitaal tekort. Van een tweetal vermogende mensen, die connecties hadden met Pijnacker, werd een bedrag van in totaal 1850 gulden geleend. Nu de kerk weer een opknapbeurt heeft gehad, wordt Ds. Van Poot beroepen naar Enkhuizen. Begin 1669 vertrekt hij daarheen. Helaas heeft hij er niet lang gestaan: reeds op 21 september 1669 overleed hij daar.

Pijnacker zat nu weer zonder predikant. Men moest de procedure weer in gang zetten. De wensen gingen nu steeds meer uit naar een prominente voorganger, echt iemand, waarmee ook in deftige kringen eer ingelegd kon worden. Ze hebben er een gevonden, die in het profiel paste: hij is “geleerd, Godzalig, vriendelijk en heeft nog andere goede gaven, die God rijkelijk aan hem heeft verleend”: Abraham Bredius. Bovendien heeft men zich ervan kunnen overtuigen, dat zijn preken goed in elkaar zitten en hij beschikt over een grote

welsprekendheid. Abraham Bredius is een telg uit een patricische familie uit Oudewater, had zijn studies in Leiden gedaan, was werkzaam geweest als predikant bij de Engelse

Ambassade sedert 1663, en op het geschikte moment bijna 30 jaar oud. Hij doet zijn intrede in ons dorp op 21 juli 1669. Het zal een zeer lange ambtsvervulling worden: 30 jaren. Zijn privéleven heeft enige dieptepunten gekend: zijn eerste vrouw Abigael Cabeljaeu, overleed in 1670.

Zijn tweede huwelijk met Maria Balde, uit Den Haag, gesloten op 29 juli 1671, bleef kinderloos.

Maria Balde stierf ongeveer in 1687.

Op 22 september 1688, 49 jaar oud, trouwde hij voor de derde keer, nu met Maria van Castricum. Uit dit huwelijk worden een aantal kinderen geboren, die ook in Pijnacker gedoopt worden.

De komst van een nieuwe predikant vereist natuurlijk extra zorg, speciaal wanneer men een prominent iemand weet te beroepen. De pastorie krijgt een flinke opknapbeurt: het huis wordt helemaal schoongemaakt, de buitenkant in de verf gezet, de gebroken ruiten vervangen, het dak gerepareerd, de straat gewied, de tuin in orde gemaakt, bemest, nieuwe kersenbomen geplant.

In de kerk worden de Avondmaalsbekers opgeknapt, en er worden namen in gesneden. Er wordt een nieuw kussen voor de predikant aangeschaft. Voor de predikant haalt men zijn spullen uit Leiden: wij zouden nu zeggen: de verhuiskosten worden vergoed. Het geheel leverde dan ook een tekort op de kerkrekening op van 339 gulden ruim.

Het jaar 1670 kenmerkt zich door het feit, dat men begint 1600 gulden te lenen. Niet alleen om het tekort van bijna 340 gulden te dekken, maar ook, omdat de toren een nieuw leien dak moest krijgen. Dat was twee jaar eerder niet inbegrepen geweest. Bij die werkzaamheden bleek, dat de houten spits danig geleden had van de tand des tijds en nodig gerepareerd moest worden. Dit laatste was een strop van 450 gulden. Het nadelige saldo van de rekening van 1672 kwam daardoor op ruim 400 gulden. Men leende nog eens 500 gulden om dit te compenseren.

De schuld was nu bij elkaar opgelopen tot 4550 gulden. De rentelasten per jaar zijn dan ook behoorlijk zwaar. Maar het befaamde zuinige beleid gaat ervoor zorgen, dat langzaam maar zeker de schuld afgelost gaat worden.

Op 1 november 1674 wordt Jan Pietersz., schoolmeester en koster, afgelost door Eeuwout Plaspan, zijn zoon uit het huwelijk met Marytgen Eeuwouts.

Zijn zoon Pieter uit het tweede huwelijk blijkt het vak van rietdekker uit te oefenen, dus in de voetsporen van zijn vader en grootvader, en woont in Catwijk. Hij doet regelmatig werkzaamheden voor de kerkenraad.

De grote schuld werd, naarmate de jaren vorderden, regelmatig verminderd door aflossingen.

In het jaar 1685 was de schuld al geslonken tot een bedrag van 2400 gulden.

Het kerend economisch getij aan het eind van de 17e eeuw zal een snellere inlossing van de schuld wel verhinderd hebben. In ieder geval vond men, dat wel weer eens iets gedaan zou kunnen worden aan de verfraaiing van het interieur van het bedehuis. De gedachten gingen uit naar de kerkeraadsbank. Daar moest nu toch ook eens iets moderner voor komen.

Ongetwijfeld deed men het nog steeds met de bank, die bijna 100 jaar geleden voor het schot gezet was. Men had wel een idee, wat men zo ongeveer wilde hebben. In gezelschap van Jan Gerritsz., de schrijnwerker, ging Ds. Bredius met de Kerkenraad eens kijken, hoe het erbij stond in Bodegraven en Zwammerdam. Dan valt de beslissing. Er wordt wagenschot gekocht in Zaandam, alsook in Rotterdam. Ze kochten nog 5 notenhouten planken. Jan Jansz. Remery; een draaier in Delft, zorgt voor de vervaardiging van bankstijlen, plinten, 118 pilasters enz. Willem Merckelbach, beeldsnijder te Rotterdam, zorgt voor het snijwerk aan de pilasters. Voor een bedrag van ca. 230 gulden wordt door de schrijnwerker het geheel opgebouwd rond de kansel. Het geheel was een belangrijke aanwinst voor het interieur van de kerk. De plaats, waar de kerk raadsleden tijdens de predicaties behoorden te zitten, was voorzien van nieuwe zitplaatsen en op fraaie wijze afgeschoten van de rest van de kerk. In onze eeuw was men beslist niet meer zo in zijn schik met deze verfraaiing. De zitplaatsen waren nogal ongemakkelijk en bovendien zat men dusdanig dicht onder de kansel, dat het letterlijk een pijnlijke zaak was, wanneer men de predikant wilde bezien. Het werd een ingrijpende verandering. Gelukkig werd de nieuwe opzet voornamelijk gemaakt van het oude materiaal. Het resulteerde in het z.g. doophek, dat nog een goede indruk geeft van de afscheiding van 300 jaar geleden. Het overgebleven materiaal is gelukkig bewaard gebleven, niet alleen in dit doophek, doch ook gedeeltelijk opgeslagen in de bewaarplaats van de kerk. Zulk degelijk oud materiaal kan ongetwijfeld nog wel eens goed van pas komen bij restauraties van het meubilair.

De predikant, reeds vele jaren voorganger van de Pijnackerse gemeente, bedingt in de jaren tachtig een bijdrage in de kosten van tuinonderhoud, groot 18 gulden, en nog een bijdrage van 25 gulden voor onderhoud van het predikantshuis (voor zover niet voor rekening van de

Kerkenraad komende), en in de negentiger jaren wordt dat verhoogd tot totaal 100 gulden.  De kosten beginnen steeds hoger te worden en de teruggang van de economie laat zich in de inkomsten voelen.

In het jaar 1687 zien we een nieuwe bron van inkomsten voor de Kerk aangeboord worden: de verhuur van plaatsen tijdens de kerkdiensten. Men kan plaatsen in de kerkbanken huren, en er is ook de mogelijkheid om plaatsen te reserveren voor ‘vrouwezitstoelen’. Het is het begin van het systeem, om de kerken te vullen met banken en stoelen. Jaar op jaar ziet men de aantallen huurders van plaatsen groeien.

Extra inkomsten waren wel nodig: in 1690 en 1691 wordt op verzoek van Ds. Bredius het nodige verbouwd in de pastorie: een paar kamers worden vertimmerd en van planken vloeren voorzien.

In 1691 wordt een groot deel van het rieten dak van de pastorie vernieuwd. De rietdekkerswerkzaamheden worden verricht door Pieter Jansz. Plaspan uit Katwijk, de halfbroer van de koster.

In het jaar 1694 is de schuld van de kerk opgelopen tot 4150 gulden. Sedert 1685 is er geen batig saldo meer geweest. De toestand is zorgwekkend.

Aan het eind van 1695 overlijdt Eeuwout Jansz. Plaspan, de koster/schoolmeester, oud ongeveer 66 jaar, na een diensttijd van 21 jaar.

Op 1 januari 1696 wijdt de Kerkenraad er een hele vergadering aan om de opvolging te bespreken. Men heeft een kandidaat: een zekere Nicolaas Groen. Op 29 januari 1696 valt het besluit: Nicolaas Groen krijgt de functie van koster/schoolmeester, annex voorzanger en voorlezer, aangeboden. Op 2 februari 1696 treedt hij in Pijnacker in dienst.

Op 12 augustus 1699 ontvangt de Kerkenraad belangrijk bezoek: burgemeester en kerkenraad van Harderwijk komen eens luisteren naar Ds. Abraham Bredius en praten met de Kerkenraad van Pijnacker. Zij willen Abraham Bredius naar Harderwijk beroepen. Hoewel de Kerkenraad van Pijnacker er niet veel oren naar heeft, kunnen zij moeilijk weigeren.

Ds. Abraham Bredius neemt het beroep aan en houdt zijn afscheidspreek op 3O augustus 1699. Het onderwerp is 2 Cor. J verzen 1, 2 en J. Het zou ook een geschikte tekst geweest zijn voor het afsluiten van onze 125-jarige periode.

De rest van het jaar 1699 wordt besteed aan het zoeken naar een geschikte opvolger, die gevonden wordt in Nicolaus Vertilet, die zijn ambt aanvaardt op 21 februari 1700.

We gaan nu een andere eeuw in, en een andere tijd. Het eind van de 17e eeuw heeft al laten zien, dat de tijden wijzigen. De economie is teruggelopen, de kerk heeft een ontwikkelingsgang meegemaakt vanaf de eerste reformatiejaren, die ervoor zorgde, dat een eenvoudige dorpskerk, bemand door een voorganger zonder al te veel pretenties, uitgroeide tot een welvarende, fraaie kerk, waaraan heel wat geld besteed werd en waarvoor men schulden op zijn nek nam, voor gegaan door een geleerde van gegoede huize; een kerk, waar de ‘Ware Gereformeerde Godsdienst’ in 125 jaar uitgroeide tot een zelfbewust religieus bolwerk, waaruit de geloofsbeleving van de volgende eeuwen voortkwam.

Ons verhaal is hiermee aan een einde gekomen. Misschien dat later, bij een mogelijke derde uitgave van dit boekje, iemand eens een toelichting wil geven over de volgende, minstens zo belangrijke, 125 jaar.

 

Bronnen :

  • Archief Hervormde Gemeente Pijnacker.
  • Notulen van de Classis Delft van de Hervormde Kerk, Algemeen Rijksarchief Den Haag.
  • Doopboeken Hervormde Kerk, Algemeen Rijksarchief Den Haag.
  • Rechtsarchief Ambacht van Pijnacker, Protocollen, Algemeen Rijksarchief Den Haag.
  • Stukken rakende de Vicarieën, Geestelijk Kantoor Delft , inv.no. 592, Rentmeestersrekeningen, Algemeen Rijksarchief, 1e afd. Den Haag.

 

Hervormde kerk ‘Dorpskerk’ zuidzijde 1891 (foto monumentenzorg)      

Pijnackers eerste predikanten

De oudste kerkrekening in het archief van de Hervormde kerk te Pijnacker begint in 1574 en beslaat een periode van 10 jaar. Het is een duidelijk voorbeeld van de administratieve verwarring, welke er heerste binnen het landsbestuur in die tijd. Immers de Staten van Holland hadden de kerken en bezittingen van de Rooms-Katholieke Kerk geconfisqueerd, tot staatseigendom verklaard en deze gedeeltelijk aan de gereformeerden toegewezen. De toen geheten Gereformeerde Kerk had daarmede dus het karakter van een staatskerk. De uitvoering van de opdracht voor de overgave van het kerkgebouw en haar bezittingen lijkt, en hier met name Pijnacker, niet zo’n probleem te zijn geweest.

Voor zover bekend was door het vertrek van pastoor Alardus van Lienen van Balgoy in 1566 de r.k. kerk alhier herderloos. Wellicht was zijn vertrek een gevolg van de beeldenstorm, welke in dat jaar in het naburige Delft woedde, maar waarvan in Pijnacker overigens niets te merken is geweest. Van de zijde der plaatselijke kerkelijke overheid zal dus weinig te duchten zijn geweest en dus viel het initiatief voor die overdracht geheel in handen van de schout. Of deze staatsdienaar van harte aan de kerkelijke vernieuwing heeft willen meewerken, moet, afgaande op de trage afwikkeling van de zaken, betwijfeld worden.

Het ‘Geestelijk Kantoor’ in Delft, waaronder het beheer van de kerkelijke goederen was komen te ressorteren, beklaagde zich ook nog al eens over de stroeve medewerking van verschillende gemeenten en over het uitblijven van de door haar gevraagde informatie 1). Hoe het zij, de schout Adam Dircxsz . schrijft pas in het jaar 1587 met eigen hand deze rekening, waarin hij in het hoofd vermeldt: “Reckeninghe vant gunt Adam dircxsz voer de kerck tot Pijnacker verschote ende geëxbourseert heeft sedert den Jare LXXIIII”, m.a.w. vanaf 1574 tot 1587 doet de schout verantwoording van hetgeen hij over die periode heeft voorgeschoten en beheerd.

Mr. Frans (1574/75 -?)

De eerste post op bovenvermelde rekening vermeldt: “Inden Ierste betaelt Mr frans, predicanttot pynacker, voer syne dienste dye byde kerckmeesteren ende ghemeente aengenome was, ende dit als reste blyckende byde obtie ende quitancy daer up ghevolcht, de somme van XXII gulden”.

Hiermede valt de naam van de eerste predikant te Pijnacker, die, blijkens bovenstaande omschrijving, op een soort van overeenkomst tewerk was gesteld. Vanwaar hij was gekomen alsook waar hij heenging, is niet bekend. Misschien dat hij ergens nog wel eens in een archief buiten deze plaats teruggevonden wordt met de aantekening “eertyts dienaer tot Pynacker11 • Na het vertrek van Mr. Frans wordt het stil voor enige jaren. Wellicht moest van de schout als overheidsdienaar actie uit-gaan om een beroep op een predikant te bewerkstelligen, maar van enige activiteit in die richting blijkt niets. Bovendien: waren er eigenlijk kerkmeesters, die hem daarin moesten bij-staan?

Met het heengaan van de pastoor Alardus van Lienden van Balgoy in 1566 zullen deze benoemingen, voor zover de daarvoor in aanmerking komende personen met de reformatie wa-ren meegegaan, wel gestagneerd zijn. Deze pastoor blijkt bij zijn vertrek tegelijkertijd de kerkelijke registers te hebben meege-nomen, hetgeen te lezen staat in een brief van de Schout (Scholt) en schepenen (Ambochtsbewaerders ) van Pijnacker aan Prins Willem van Oranje 2):

“ Aen den doorluchtigen ende hoochgheboornen  furstenlichen heere den Prince van Orangien, Grave tot Nassau etc.

Geve ootmoedelicke te kenne Scholt, Ambochtbewaerders ende achtmans der dorpe van

Pijnacker, hoe dat sij suppl ianten uyt sonderlinge gunste, die sij tot goodts woert dragende sijn, verworven hebben sekere bevel vanden Eersamen ende geleer-den dienaer godts woert, Petra Datheno, om hunluyden te moe-gen versien van eenen goodtsvruchtigen Dienaer, by andere welbekende kerckdienaeren geëxamineert ende geapprobeert. Hebben tot dien ende gesonden om een bequaem dienaer, die sij dagelix verwachtende sijn. Maer alsoe de hiervoer gaende pastoor hunluyden verlaeten heeft ende nochtans onwillig blijft in handen van hunluyden te leveren die registers van-de kerckgoederen der pastorie soe behoerende, waermede sij-luyden haere dienaer onderhout soude moeten doen, Versoucken daeromme aen Uwe vorstelicke Genaede het bevel ende last e by Petro Datheno hunlieden ghegeven te approberen ende con-firmeren, ende den voornoemden pastoer belast te worden up sekere zwaere peijne, die selffder Registers te leveren in hande vande supplianten om die te gebruycken achtervolgende ’t bevel vande voornoemde Petro Datheno hieraen ghehecht,  dit doende etc. “

Op deze brief werd de volgende aantekening gemaakt:

“Syn Exellentie beveelt den voorgaande  pastoor van Pynacker den supplianten in handen te leveren de registers -ende leveren op peyne, dat Zyn Excellentie  dat vernemen sal soe ’t beheert.

Gedaen te delft den XXVen November (15)LXXII (w.g.) Guillaume de Nassau”

Het vermelden van een post voor reparatie van “t gildehuys” door de timmerman, Jacob

Cornelisz., doet wel vermoeden, dat er iets werd ondernomen. De reparatie wordt verricht: “omme aldaer scheel inne te houden, ter tyt toe, dat men versyen ware ofte datter de predicant inquaeme woonen”. Wellicht viel die reparatie in 1577 of 1578, omdat in dat eerste jaar het reeds eerder genoemde ‘Geestelijk Kantoor’ was gesticht en het geld voor de betaling van een predikant van daar moest komen. Ook de glazenmaker en de rietdekker leverden hun bijdragen om het gildehuis weer bewoonbaar te maken.

Abraham Janszoon (1580 -1583)

Voornamelijk de notulen van de Classis Delft laten hun licht schijnen op de tweede predikant van Pijnacker: Abraham Jansz. Hoe zijn beroep naar Pijnacker was geregeld, is niet bekend, maar dat de nodige zorgvuldigheid daarbij in acht was genomen is teveel gezegd en zal uit het hiernavolgende blijken. Zijn komst naar Pijnacker valt te stellen op 1580. Hij blijkt dan gekomen te zijn uit Vlaardingen, wellicht zonder aldaar zijn nieuwe adres achtergelaten te hebben: Abram was niet bepaald van goeder naam en faam en had dus blijkbaar wel rede-nen om het in een uithoek te gaan zoeken. Op één of andere wijze zal hij geweten hebben, dat Pijnacker sinds 1574 een vacante predikantsplaats had en bood hij hier zijn diensten aan. Enige jaren had Pijnacker geen reformatorische voorganger gekend en misschien was dat wel de oorzaak, dat men zonder serieuze achtergrondinformatie op zijn aanbod inging. Bovendien besefte men hier wel, dat men heel blij moest zijn met deze kans. Het was bepaald in die tijd geen ideale plaats om zich hier als predikant te komen vestigen. Het was hier een drassige streek, mede nog een gevolg van de pogingen tot het ont-zet van de stad Leiden waarvoor de dijken eens waren doorge-stoken en waarvan de gevolgen nog steeds merkbaar waren. De wegen waren veelal onbegaanbaar en vaak werd er van “schuyt-gens” gebruikt gemaakt om zich te verplaatsen.

Abraham mocht dan misschien goede redenen hebben gehad om zich hier te vestigen en zich wat veilig te voelen in het achteraf gelegen Pijnacker, de arm van het gezag reikte ver-der dan hij dacht. Op één of andere wijze wordt zijn aanwezig-heid hier opgemerkt. In de vergadering van de Classis Delft, op 5 november 1582 te Delft, werd er een brief voorgelezen, afkomstig van de magistratuur van Vlaardingen. In deze brief werd geschreven, dat tegen:

“Abraham Jansz., dyenaer des woordts tot Pinaecker vele sware en verscheidene clachten syns ongeschikten, arger-licken leven gedaen werden”. Vlaardingen eiste: “dat hy sal vooreerst werden gesuspendeert (= geschorst) van synen dienst totter tyt, dat hy hem in ’t gene daer dye van Vlaerdinghen ende andere hem inne beschulgighen, sal gepurgeert (=gezuiverd) hebben”.

Om de behandeling van deze aanklacht zeker te stellen, werd er bovendien nog aan toegevoegd, dat, wanneer er geen genoeg-doening kwam, men zou gaan procederen. De classisvergadering besluit dan ook, dat Abraham Jansz. zich in het vervolg zal onthouden van de bediening van het Woord en Sacramenten totdat hij de beschuldiging zal weerlegt hebben. Tot zolang zullen de predikanten van Delft en Zoeter-meer de kerkdiensten in Pijnacker verzorgen. Bovendien wordt besloten de schout van Pijnacker schriftelijk van dit besluit op de hoogte te brengen. Uit het verslag blijkt niet, dat Abra-ham op de vergadering aanwezig was, de schout zal dan tevens de taak gekregen hebben hem van het classicale besluit bericht te geven.

Abraham moet dan wel voor het voetlicht komen na die zware aanklacht en voorlopige ontheffing van het ambt. Het eerste wat hij doet is een brief schrijven naar Vlaardingen en in de classisvergadering van 13 december 1582 protesteren tegen de ”certificatie (= verklaring) van Vlaerdinghen”. De verga-dering houdt echter het been stijf en geeft opnieuw te kennen, dat hij tot nader aankondiging geschorst blijft. In zijn brief aan Vlaardingen blijkt Abraham enkele personen van leugenachtige verklaringen omtrent zijn persoon te hebben beticht. Hierop blijft Vlaardingen het antwoord niet schuldig, zij schrijven een brief op 12 januari 1583 aan de Classis Delft, inhoudende: “dat de ghetuyghen, dye Abraham Jansz., dyenaer tot Pynaecken, door een andere attestatie heeft willen leugen-achtich maecken”, volharden in hun verklaring en zij zijn bereid: “te Compareren ( = verschijnen) indien daertoe versocht wordt”.  De classis antwoordt dat de getuigen door haar verhoord zullen worden door een commissie van vier predikanten.

Sinds de vergadering van november 1582 blijkt de classis ook niet stil gezeten te hebben en haar licht in Pijnacker opgestoken te hebben. Het resultaat daarvan is een beschuldiging van vier punten, welke Abraham Jansz., nadat hij in de vergadering is toegelaten, wordt voorgelezen: ”

1°             dat hy hem( = zich)dickwilsvinden laet in de herberghe opte bierbancken;

2°        dat hy nyet een stichtelick woordt (dan op de predick-stoel) laet uyt synen mondt gaen ende onnutte woor-den, dye geenen christen -weyniger eenen dyenaer ! -betaemen, in een vol geselschap laet hooren;

3°         dat hy in ’t visiteren der crancken naelatich is;

4°        dat men hem wel vermaent heeft het avontmael te houden ende (dat hij) het noyt in ’t werck gestelt heeft, ja -daerby geseyt, dattet nyet te beduyden hadde ende dyergelijcke woorden gelijck dan noch meer dingen syn, dye syne huysluyden (= plaatsgenoten) betuygen sul-len so het nood doet.”

Het eerste punt bekent hij, de overigen: “met betuyginghe ende aenroepinghe des heeren naems gantselyck ontkent hy”.

Na verdere informatie komt de classis in februari 1583 tot de volgende conclusie: “dat sy den voorseyden Abraham onbequam achten der selver kercke aldaer langer te bedienen voornamelyck (om)dat vele geloofweerdige mannen gedeposeert (verklaringen afgeven) hebben, dat hy dan nyeten dient ende geen vrucht schaffen sal, gelyck sy dat uyt alle syne wandelinghe wel cunnen af-nemen ende verstaen.”

In het bijzonder wordt het hem kwalijk genomen, dat hij in zijn tijd van ongeveer drie jaren in Pijnacker, hoewel hij daar om werd verzocht, geen Avondmaal heeft gehouden of de gemeente heeft gesticht. De classis besluit voorts, om te voorkomen, dat Abraham zich te beklagen zou hebben, dat hij zijn toelage zou blijven ontvangen tot het einde van maart 1583. Verder wordt de kerk van Pijnacker te kennen gegeven naar een: “bequamen ende getrouwen dyenaer uyt te syen”. Indien: “dye van Pynaecker aan de classis last geven haer een dyenaer te bestellen (=beroepen), dat de dyenaers van Delft sorghe daer voor sullen dragen”, m.a.w.

Pijnacker wordt niet capabel geacht zelf een beroepingsprocedure te ondernemen.

Eigenlijk is hiermede de zaak tegen Abraham Jansz. wat betreft Pijnacker afgedaan, ware het niet, dat deze hier niet zo over dacht en het interessant is zijn gangen verder te volgen. Op 8 maart 1583 verschijnt hij plotseling te Delft en verzoekt toegelaten te worden in de clasijicale vergadering. Het wordt hem toegestaan en hij verzoekt twee dingen:

  1. hij wil zijn toelage ontvangen over het eerste kwartaal 1583,
  2. hij verzoekt van de classis bij zijn vertrek uit Pijnacker om een zodanige attestatie: “opdat hy op andere plaetse aen-genomen werden”.

Het eerste verzoek kon spoedig ingewilligd worden, aangezien hierin in de voorgaande vergadering reeds was voorzien. Met het tweede verzoek zal hij met het antwoord wat hij daarop ont-ving minder ingenomen zijn geweest. Hem werd te verstaan gegeven, dat, aangezien Vlaardingen hem in een verklaring zwaar heeft beschuldigd, hem niet eerder een attestatie zal worden afgegeven, alvorens Abraham één van beiden gedaan zal hebben: of zijn schuld: “voor de heere en syne ghemeente” ongeveinsd te bekennen, of de beschuldiging van Vlaardingen te weerleggen, waarop hij alsnog “gepurgeert” zal worden. Daarmede kan Abraham gaan. De vergadering besluit nog, dat de eerstvolgende bijeenkomst op 2 mei 1583 gehouden zal worden, maar de zaak Pijnacker vroeg voordien reeds om een extra-ordinaire (= buitengewone) vergadering te houden binnen Delft op 21 april 1583. Op een vraag van de praeses of Abraham aan één van de beide voorwaarden, gesteld in de voorgaande vergadering had voldaan, geeft Abraham ontkennend antwoord. Hij wenst weer als eerder: “een attestatie, daermede hij eerlyck van Pynaecker mocht vertrekken ende dat men de saecke van Vlaerdinghen soude laeten berusten ende hem daermede laeten handelen overmidts syn vermoeden is, dat sy noch aent recht sal moeten comen, doch alsoe, dat men in syne attestatie meldinghe daervan soude doen, namelyck dat de saecke van Vlaerdinghen noch nyet geslist (=beslist) en is”.

De vergadering trapt niet in dit voorstel, waarmede Abraham weliswaar de aantekening bij zich zou dragen, dat er nog een zaak tegen hem gaande was, maar hij niettemin toch een attestatie kon tonen.

De classis begint kennelijk het gedram van Abraham beu te worden en besluit een naar waarheid luidende verklaring op te stellen, waarin de gehele procedure vermeld zou staan. Abraham maakt ook daar weer bezwaar tegen en betoogt niets anders te willen dan een attestatie: “daermede hy op andere plaetse mochte aengenome werde”.

De vergadering geeft hem te verstaan, dat men: “de conscientie bewaer ende der kercke genoeg doe ende dat men nyet an-ders dan de waerheyt schrjjven can”. Men heeft Abraham ondertussen wel leren kennen, zeker is zeker zal men gedacht hebben en dus krijgt de rentmeester van het Geesteljjk Kantoor van Delft, Van Coolwijk, nog wel even een tip van de classis aan Abraham Jansz. geen geld te geven alvorens de classis hem daartoe opdracht geeft. Dit laatste geeft wel te denken, dat men blijkbaar in deze ontzettingsprocedure met het betalen van zijn stipendium over het eerste kwartaal van 1583, om welke reden dan ook, nog niet van hem af was.

In de vergadering te Zoetermeer op 2 mei d.a.v. heeft men een conceptverklaring over de zaak Abraham Jansz. gereed en deze wordt aan de vergadering voorgelezen. Deze gaat met: “de acte ende sommierlycke (= beperkte) verhael voor syn afscheydt” akkoord. Of het bier nog steeds de oorzaak is dat Abraham ongeremd zijn gal spuwt op alles wat kerkelijke overheid is, de laatste is ondertussen niet zo goed of moet op 23 mei weer ‘extra-ordinair’ bjjeenkomen. Abraham heeft de classis Delfland beschuldigd van grote onwaarheid, terwijl hem tevens groot onrecht door haar zou zijn aangedaan. De classis schrijft hem nu een brief, waarin zij zegt, dat wanneer hij iets tegen de classis heeft hij zijn beweringen maar op de a.s. Particuliere Synode, op 6 juni 1583 in ‘s-Gravenhage, moet voordragen. Zo niet, dan zal hij zich moeten bedenken, dat men hem voor schuldig zal blijven houden. Of Abraham Jansz. zijn zaak voor de Haagse Synode heeft gebracht, dan wel dat de classis zelf de Synode heeft ingelicht, is niet geheel duidelijk, maar wel komt vandaar het bericht, dat men hem: “per occasionem mentie (heeft) gemaect”. M.a.w. bij gelegenheid zal men op deze zaak ingaan.

De classis besluit tot eenzelfde houding: “dat men de saecke nae uytwysen der acte sal laeten staen, totdat hy ergens sal moghen beroe-pen werden, dye men dan vande saecke adverteren (= op de hoogte brengen) ende waerschouwen sal”. Het zou niet al te lang duren voordat men aan dat “adverteeren ende waerschouwen” toe was. Abraham is opgedoken in Polsbroek en de schout en de kerkmeesters vandaar sturen brieven naar de classis Delfland, alsmede een aanbeveling van ds. Everhardo Bomelio (predikant te Gouda) en een rapport van de secretaris van Polsbroek, welke allen daarop neerkwamen, dat de bewuste Abraham Jansz. alsnog voorzien zou worden van goede getuigschriften, waaruit sprak dat hij “volcomenlyck versoent” was, zodat hij onbelemmerd weer als predikant aan de slag zou kunnen gaan.

Al deze stukken worden in de classisvergadering van 12 september 1583 te Pijnacker voorgelezen en uitvoerig besproken. Het ligt voor de hand, dat, na alles wat zich heeft voorgedaan in Vlaardingen en Pijnacker, alsmede de houding van Abraham tegenover de classis, men zich wel verbaasd zal hebben over de brutaliteit, waarmede deze te werk ging, en, hoewel een vergevingsgezindheid bij de classis steeds aanwezig was, hij steeds minder op haar sympathie kon rekenen. Ze concludeert dan ook, dat noch Vlaardingen, noch Pijnacker en de classis genoegdoening gedaan zijn met betrekking tot de voorwaarden, welke aan Abraham gesteld waren en voorts, dat hij in zijn doen en laten blijkbaar nog geen haar beter geworden is (“dat hy hem (=zich) noch nyet behoorlijck is bekeerende”.). Dit antwoord van de classis gaat naar: “de magistraet ende kerckmeesteren van Polsbroek voors. als aen de classen van der Goude (Classis Gouda), daerby voegende copye van de acte by dese classe, (welcke) Abraham voors uyt syne plaetse (Pijnacker) scheydende (is) gepresenteerd”. Erg onder de indruk is men daar in Gouda en Polsbroek blijkbaar niet van deze bezwaren, want enig antwoord blijft uit en daarom wordt op de classisvergadering te Vlaardingen op 9 april 1584 deze zaak weer aan de orde gesteld. Er wordt daar opnieuw vastgesteld, dat: “Abraham Jansz. -eertyts dyenaer tot Pynaecker -onordentelyck te Polsbroek in den dienst is toegelaeten door recommandatie van eenighe dyenaers van de classis van der Goude (Gouda) sonder genoch versoent te syn metter genen, dye in onsen classe van Delft ende metter classe van Vlaerdinghe selfs.” De classis van Delft schrijft dus opnieuw aan die van Gouda, dat: “men Abraham onwettig heeft toegelaeten en dat sy hem behoren te weren door suspentie (= schorsing) en oock door onthouding van alimentatie (onderhoud) voor den tyt, dat hy aen het voorgeschrevene voldaen sal hebben”

Tenslotte eindigt men de brief met de dreiging, dat wanneer Gouda geen gevolg zal geven aan de Delftse eisen, de Classis Delft zich genoodzaakt ziet een bezwaarschrift in te dienen bij de Synode of zo nodig bij de Staten van Holland haar beklag zal doen. Niettemin schijnt men in de Classis Gouda te pogen deze zaak op de lange baan te schuiven, want in de classicale bijeenkomst van 16 juli 1584 in de Lier wordt opgemerkt, dat men nog niets heeft gehoord op hun brieven en weer gaat er een brief uit, dat men antwoord verwacht. Daarop heeft men wel begrepen in Gouda en Polsbroek, dat het Delft ernst was en blijkt men Abraham Jansz. te hebben laten gaan.

In dit stadium zou men wel geneigd zijn te denken, dat Abraham het inmiddels wel over een andere boeg is gaan gooien, maar dan slaat men de plank mis. Hij blijkt nu weer zijn diensten in de stad Utrecht aangeboden te hebben. De kerk in Utrecht betoont zich echter voorzichtiger en vraagt inlichtingen over hem. Het kost de classis Delft, in haar vergadering te Pijnacker bijeen op 25 augustus 1586, niet veel moeite hieraan tegemoet te komen. In een brief met bijlagen wordt bovendien vermeld: “dat men Abraham Janszoon alzulcke schultbekenninghe laet doen, als nae d’inhoudt onses classisboeck (= notulen-boek) zal bevonden werden, dat hij onser classe ende kercke van Pynaecker geblameert ende geargert heeft”. Mocht Abraham heimelijk hebben gehoopt, dat men zo onderhand zijn zaak met Vlaardingen en Pijnacker zou hebben vergeten, dan zal hem dit antwoord wel hebben doen inzien, dat hij wel aan het kortste eind bleef trekken. Een half jaar had hij ervoor nodig om in te zien, dat hij door de knieën moest wilde hij in een kerk werkzaam zijn. Hij heeft dan in Montfoort zijn onderdak gevonden en de notulen van de classisvergadering van 4 mei 1587 te Maasland zeggen er het volgende van: “Abraham Janssen, dyenaer des woordts, nu ter tyt te Montfoort, heeft eene schriftelycke schultbekenninghe gedaen, verclarende syne mishandelingen tegen onse classe ende anders begaen, welcke schultbekenninghe geaccepteert ende voor goet opgenomen is. Daerom men hem schriven sal, dat men ’t hem vergeeft, hem daerby doende eene goede vermaninghe, dat hy voortaen voorsichtich ende wyselrck wandele”.

Toch nog éénmaal Abraham Jansz. Eind 1589 dreigt Nootdorp zonder predikant te komen. In de classisvergadering van 21 december 1589 verschijnen een paar ouderlingen uit Nootdorp, die zich bepaald niet ingenomen voelen met de suggestie van de vergadering om hun predikant Jan Barendsz. te laten gaan naar Overschie. Terecht zijn zij in hun wiek geschoten, wanneer bovendien nog de opmerking wordt gemaakt, dat Nootdorp het wel afkon met een predikant van mindere kwaliteit. Tot overmaat van ramp weten zij nog te verhalen: “dat hare

Overicheit (= overheid) lichtelick ghesint soude wesen tot eenen Abraham Jansz., tot Pynaecker gestaan hebbende, ende dye soude moghen beroopen.” Het wordt in de notulen niet vermeld, maar het getuigt wel van zachtmoedigheid van de praeses dat er niet staat, dat hij met een volle vuist een slag op het groene laken heeft gegeven. De kwade geest van Abraham Jansz., die blijkbaar na ca. tien jaar nog in de vergadering ronddoolde, zou zich wellicht naar een rustiger oord teruggetrokken hebben. Zonder die slag blijkt hij echter toch ook vertrokken te zijn, toen de classis beide ouderlingen de verzekering hadden gegeven, dat ze voor zulk een beroep niet behoefden te vrezen en dat de classis daarvoor wel zou zorgdragen, waarmede het laatste woord, althans in de classis Delft, over Abraham Jansz. was gesproken.

 

Voetnoten:

  • Het Geestelijk Kantoor van Delft, W. van Beuningen.
  • Stukken rakende de Vicarieën, Geestelijk Kantoor Delft (1572) , inv.nr. 592, Algemeen Rijksarchief Den Haag.

 

 

De Gereformeerde Kerk van Pijnacker-Nootdorp

Reeds voor de Doleantie van 1886 was er ook in Pijnacker een groep die het niet eens was met de gang van zaken in de Nederlandse Hervormde Kerk.

Hun bezwaren golden het ‘liberale denken’ en de ‘moderne’ predikanten. Zij streefden naar een terugkeer naar Gods Woord en de ware verkondiging van het Evangelie. Zij vonden een evangelist bereid naar hun opvattingen het Woord te brengen.

Er waren echter nog meer problemen op te lossen. Er diende een geschikte lokaliteit te worden gevonden. Ook dit kwam voor elkaar. Een gebouwtje aan de Noordweg, waar later de werkplaats van de firma Tettero gevestigd is geweest, mocht worden gebruikt.  Het gerucht van deze prediking drong weldra door tot de omliggende gemeenten. Uit Zoetermeer, Benthuizen en andere plaatsen kwamen de luisteraars naar de Noordweg. Dat was in die dagen een hele onderneming. De afstanden waren groot en de wegen slecht. Heenen-terug lopen viel niet mee, maar velen hadden het er voor over. Brood werd meegebracht en bij gunstig weer ging men in de graskant zitten om dit te nuttigen.

Dit alles vond plaats zonder dat men er over dacht uit de Hervormde Kerk te treden. Het lag niet in de bedoeling zich af te scheiden. De Afscheiding had reeds lang geleden (1834) plaats gevonden, de Doleantie zou nog komen. Men wilde trachten in de (Hervormde)Kerk het Woord van God de plaats te (her) geven die dat toekomt.

Doch al was dit in Pijnacker zo, elders ging het anders. In 1886 begon in Amsterdam onder leiding van Dr. Abraham Kuyper de Doleantie waaruit na vereniging met de grote groep van Afgescheidenen uit 1834, de Gereformeerde Kerk ontstond. Begrijpelijk werd dit gebeuren ook in Pijnacker besproken. Maar de Evangelist die hier het Woord bediende ontraadde ten zeerste zich los te maken van de Hervormde Kerk. Dit gebeurde dan ook aanvankelijk niet.

Doch de Evangelist trok uit Pijnacker weg naar Amsterdam.

Verschillende leden van de groep vonden dichter bij hun woonplaats een mogelijkheid om kerkdiensten naar hun overtuiging bij te wonen. Uit Oude Leede trok men naar Berkel, anderen gingen naar Zoetermeer en uit Nootdorp ging men naar Delft.

Het overgebleven deel van de groep zag wel in dat men ook hier ‘ambten’ zou moeten instellen. De toestemming van de Classis Den Haag werd vlot verkregen en in de vergadering van 16 september 1904 kwamen de manslid-maten bijeen (vrouwen telden toen nog niet mee) om de ambtsdragers te verkiezen.

Gekozen werden drie ouderlingen (P. van ’t Woudt , W. van Atten, P. Rensen) en twee diakenen (A.V. Verploegh en B. Vermeer) . Het aantal stemmers bedroeg 16 en het totale zielenaantal van de nieuwe gemeente was 30.

Een eigen kerkgebouw was er begrijpelijk niet. Men kwam bijeen in het huis van L. van

Buijtene aan de Kerkweg. Ds. Wielenga van Delft was de voorganger in deze eerste dienst.  Het was moeilijk om predikanten naar Pijnacker te laten komen. Het openbaar vervoer stelde nog niet veel voor en de predikanten beschikten niet over een eigen auto. Het was daarom gebruikelijk dat een predikant zaterdagavond kwam en maandagmorgen weer vertrok, zodat ook voor huisvesting gezorgd moest worden.

De gemeente breidde zich gestadig uit en zo kwam het tot plannen voor een eigen kerkgebouw. Een geschikt stuk grond werd gevonden aan de Kerkweg, maar dit was eigendom van de timmerman Sorber. Deze stond bekend als nogal liberaal en men was bang dat hij de grond niet zou willen verkopen als daar een Gereformeerde Kerk op zou komen. Men besloot tot een list. De heer Van Vliet uit Oude Leede ging met hem onderhandelen zonder daarbij te vertellen voor welk doel hij deze grond wilde kopen. De onderhandelingen verliepen vlot en de heer Sorber bleek bereid de grond tegen f 1,25 per vierkante meter te verkopen.

Tot zover ging alles goed maar nu moest men nog aan geld zien te komen. Links en rechts werd omgezien naar iemand die een hypotheek wilde verstrekken. In Pijnacker gelukte dit niet maar in Delft werd iemand gevonden, die, hoewel van liberale opvatting, voor dit doel wel wat over had. Zijn motieven vertelde hij met de volgende eigenaardige woorden: “Het doel is mooi en voor deze edele heer heb ik wel wat over”. Met deze “edele heer” bleek hij niet een van de ambtsdragers, maar Christus zelf te bedoelen. Zo kwam er een hypotheek van f 4000,-beschikbaar.

Met enige vrees zijn hierna de heren Van Vliet en Rensen naar notaris De Gidts gegaan om met de eigenaar de heer Sorber, de koop af te sluiten.

Men moest nu wel met het doel van de koop voor de dag komen, want als eigenaar trad op de jonge Gereformeerde Kerk. Het viel echter mee. De heer Sorber verklaarde dat het hem onverschillig liet dat er een Gereformeerde Kerk op zijn terrein zou worden gebouwd. Nu alles rond was, werd er direct flink aangepakt en reeds op 20 januari 1905 kon het kerkgebouw in gebruik worden genomen.

Afb. Eerste gebouw van de gereformeerde kerk aan de kerkweg

Nu ontbrak het nog aan een eigen predikant: voor de uitbouw van de toen nog kleine gemeente, ca. 60 leden, van het grootste belang.

Na ingewonnen raad bleek het beter eerst een pastorie te bouwen. Opnieuw een zware financiële belasting nadat de bouw van de kerk al zo’n f 5000,–had gevergd. De classis werd toestemming gevraagd een collecte te mogen houden in omringende gemeenten. In Den Haag bracht dat zelfs f 500,–op.

Met veel moeite werd er zo een aardig bedrag ingezameld en voor het ontbrekende werd een obligatielening gesloten. Zo kwam er een pastorie en weldra ook een predikant. Ds. C. van Diemen uit Bergentheim nam het op hem uitgebrachte beroep aan op een traktement van f 900,-per jaar.

Zo kreeg de Gereformeerde Kerk van Pijnacker en Nootdorp op zondag 30 augustus 1908 haar eigen predikant.

Tot in de 60-er jaren kwamen de Gereformeerden uit Nootdorp ook in Pijnacker ter kerke. Nu worden er in Nootdorp kerkdiensten voor hen gehouden in de Hervormde Kerk, die voor dat doel wordt gehuurd.

Wie meent hiermee de geschiedenis te kennen van het kerkgebouw dat men nu aantreft aan het begin van de Kerkweg, vergist zich.  Het in 1905 met zoveel inspanning tot stand gekomen gebouw bleek al eind twintiger jaren te klein voor de groeiende gemeente. Na afbraak werd in 1929 op dezelfde plaats een veel grotere kerk gebouwd die nu nog altijd dienst doet.

Afb. Tweede gebouw van de gereformeerde kerk aan de Kerkweg.

 

U bevindt zich hier: Home > Geschiedenis van Pijnacker > Schetsen van Pijnacker > Schetsen van Pijnacker, hoofdstuk 7